1903: de splitsing tussen Bolsjewieken en Mensjewieken

Dossier uit 2003

split100 jaar geleden, op 30 juli 1903, begon het tweede congres van de Russische Sociaal-Democratische Arbeiderspartij in Brussel. Op dit congres vond de historische splitsing plaats tussen de Bolsjewieken en de Mensjewieken.

Kapitalistische commentatoren en stalinisten stellen het graag voor als zouden Lenin en de Bolsjewieken van 1903 de voorlopers geweest zijn van het regime onder Stalin. Het is bijgevolg nuttig van te zien wat echt gebeurde op dat congres en hoe de discussies er de Bolsjewieken gevormd hebben en mee geleid hebben tot de revolutie van 1917.

Het feit dat Lenin zich een sociaal-democraat noemde is iets wat niet graag benadrukt wordt door sociaal-democraten of Stalinisten. Maar heel de arbeidersbeweging, verenigd in de Tweede Internationale, gebruikte het label ”Sociaal Democratisch” tot aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914, toen de Tweede Internationale splitste. Lenin en de Bolsjewieken stonden vrijwel alleen tussen de leidinggevende Sociaal Democraten toen ze zich uitspraken tegen de oorlog. In 1919, als direct gevolg van de succesvolle socialistische revolutie in Rusland, werd de Communistische Internationale opgericht met veel activisten die voorheen actief waren in de linkerzijde van de sociaal-democratische partijen.

Het congres van de Russische Sociaal-democratische Arbeiderspartij in 1903 ging over het vormen van een arbeiderspartij in Rusland. Gedurende een hele periode na haar stichtingscongres in Minsk in 1898 bestond de partij enkel als een vereniging van studiegroepen die vaak geïsoleerd stonden en te kampen hadden met tegenstand van de geheime diensten. Hierdoor was er geen coherente partij en waren er problemen op vlak van continuïteit.

Iskra

Om de partij samen te houden en te ontwikkelen werd in 1903 het blad Iskra (de vonk) opgericht toen Lenin terugkwam uit Siberië. Het blad werd in het buitenland geproduceerd door een aantal van de meest ontwikkelde sociaal-democratische leiders, waaronder Plekhanov, Martov en Trotsky. Het blad werd verspreid onder groepen arbeiders in Rusland. Het idee was om de partij op te bouwen rond het blad dat een politieke vorming bood aan zowel de schrijvers als de lezers en tevens nieuws van arbeidersstrijd kon brengen.

Iskra publiceerde verschillende artikels over nieuwe stappen die gezet werden door de partij. Er verschenen artikels van Lenin, die gesteund werd door de Redactieraad, zoals ‘De dringende taken van onze beweging’ (editoriaal in nummer 1), ‘Waar beginnen?’ en ‘Brief aan een kameraad’. Deze artikels werden verspreid en bediscussieerd. Een belangrijk debat in die jaren was de polemiek tegen de ideeën van het ‘economisme’. De ‘economisten’ kregen hun naam door hun zware nadruk op de economische strijd van arbeiders ten koste van politieke strijd. Voor hen betekende een Kopek loonsverhoging meer dan de politieke strijd tegen het tsaristische regime.

Het economisme dook op toen een aantal partijgroepen, die eerder voornamelijk over socialistische propaganda discussieerden, begonnen te werken naar bredere lagen van de arbeidersklasse. Een aantal leden werd meegezogen in het groeiende aantal stakingen en durfde geen socialistisch programma meer naar voor te brengen. Om die positie te verdedigen, werd een politieke tendens opgezet die stelde dat de arbeiders de nood aan politiek niet zouden begrijpen en dat de “strijd alles betekent”. Lenin toonde aan hoe de sociaal-democraten moesten in staat zijn om zowel ieder protest en iedere opstand te ondersteunen, als het beargumenteren dat deze stakingen gelinkt zijn aan de strijd om de tsaristische autocratie omver te werpen en de strijd voor socialisme. De overgang van illegale activiteiten naar open partijwerk maakte het mogelijk om in te zien wie van de partijleden daartoe in staat was.

De debatten in Iskra zorgden ervoor dat veel van de steun voor de economisten verdween. De bedoeling van het congres in 1903 was, zoals Lenin schreef, om van het programma van Iskra het programma en de lijn van de partij te maken. Het ging om het doorbreken van de studiegroepen-mentaliteit en het vormen van een echte partij met gemeenschappelijke politieke doelstellingen. Iskra was de belangrijkste tendens binnen de partij en werd tot aan het congres gezien als een homogene stroming.

Voor het congres was er binnen de partij tegenstand tegen de ideeën van Iskra vanuit groepen als de Bund en Rabotchie Delo, die beiden hun autonomie wilden bewaren. De Bund was een Joodse Sociaal Democratische organisatie die zich binnen de partij ter rechterzijde bevond en Rabotchie Delo verdedigde een economistisch standpunt. Tot verrassing van de deelnemers aan het congres van 1903 sloot een minderheid van Iskra-aanhangers een alliantie af met de hevigste tegenstanders van Iskra.

De statuten

In tegenstelling tot wat soms beweerd wordt door zowel Stalinisten als conservatieven, gebeurde de splitsing niet over een politiek programma. Het partijprogramma werd unaniem goedgekeurd met slechts één onthouding. De splitsing vond slechts plaats op de 22ste sessie. De discussie die daar gevoerd werd, handelde over de statuten van de partij en de verkiezing van een redactieraad. Een voorstel tot partijstatuten werd uitgewerkt door Lenin en was voor het congres verspreid in de partij. Maar op het congres kwam er een tegenvoorstel voor de eerste paragraaf van Julius Martov, ook van Iskra. Ogenschijnlijk was het verschil erg klein.

Lenin’s voorstel bepaalde: “Een lid van de partij is wie het programma aanvaard en de partij zowel financieel als met een persoonlijke deelname in één van de partij-organisaties ondersteunt”.

Martov stelde voor: “Een lid van de partij is iemand die het programma aanvaardt en actief meewerkt aan het verwezenlijken van haar doelstellingen onder de controle en de leiding van de organen van de partij”.

Het verschil ging over het werken “in één van de partij-organisaties” of “onder controle en leiding” van de partij-organen.

Lenin vatte zijn standpunt als volgt samen: de voorwaarden voor lidmaatschap zijn a) een zekere graad van betrokkenheid in de organisatie en b) goedkeuring door het partij-comité.

Martov, anderzijds, beargumenteerde dat “iedere staker” zichzelf als lid zou moeten kunnen beschouwen. In tegenstelling tot de mythe dat het congres van 1903 onder leiding van Lenin een soort “elitaire partij” creëerde, was het het voorstel van Martov dat goedgekeurd werd met 28 stemmen tegen 23. Van de Iskra-aanhangers waren er 7 van de 8 die Martov steunden. Ironisch genoeg werd de beslissing omgekeerd in Lenin’s voordeel op het eenheidscongres van de Bolsjewieken en Mensjewieken in 1906.

De redactieraad van Iskra

Op het congres van 1903 moest Iskra het centrale orgaan van de partij worden. Zoals met de statuten was er reeds lange tijd op voorhand een voorstel. Het voorstel hield in dat de redactieraad zou bestaan uit drie personen. Gezien de ervaring van de jaren voordien stelde Lenin voor dat hij samen met Plekhanov en Martov de redactie zou vormen van Iskra. Het waren deze drie die in de praktijk het meeste werk verrichtten voor het blad en de centrale artikels schreven. Dit betekende echter dat er van de vorige redactie drie leden zouden verdwijnen: de veteranen Pavel Axelrod, Vera Zasulich en Alexander Potresov.

Dit voorstel kon echter op heel wat verzet rekenen. Er was politieke oppositie tegen de opvattingen van Iskra, wat gemengd werd met persoonlijke overwegingen. Hoe zouden de drie ‘ontslagen’ redactieleden de beslissing ervaren? Had het congres wel het recht om de samenstelling van de redactieraad te wijzigen?

De oude mentaliteit van de kleine studiekringen kwam terug boven en stond in tegenstelling tot het streven naar de opbouw van een echte partij met meerderheidsbeslissingen. 7 van de afgevaardigden die zich tegen Iskra uitspraken moesten het congres vroegtijdig verlaten waardoor Lenin bij de stemming over een meerderheid van 19 stemmen tegen 17 beschikte. Het was deze stemming die aanleiding gaf tot het gebruik van de namen Bolsjewieken (zij die de meerderheid hebben) en Mensjewieken (de minderheid).

De nieuwe minderheid van Iskra, de Mensjewieken, waren voor het congres bij diegenen die akkoord gingen met alle voorstellen en nadruk legden op de autoriteit van de beslissingen van het congres. Na het congres was dit niet langer het geval. Martov weigerde om deel te nemen aan de redactieraad, waardoor de redactie van Iskra enkel bestond uit Lenin en Plekhanov.

Geen kwestie van leven of dood

Na het congres (dat in Londen verdergezet werd wegens veiligheidsredenen) maakte Lenin de opmerking dat de debatten geen kwesties van leven of dood waren. Het ging niet om politieke principes maar om methodes van partij-opbouw. Leon Trotsky was één van de afgevaardigden die op het congres inging tegen het standpunt van Lenin. 20 jaar later noemden de Stalinisten hem daarom een ‘”mensjewiek”. Maar reeds in 1903 en de revolutie van 1905 stond hij dicht bij de bolsjewieken. Toen hij in 1917 aansloot bij de Bolsjewieken en samen met Lenin de oktoberrevolutie leidde, gaf hij toe dat hij het belang van de partij-opbouw had onderschat.

In de lente van 1904 vatte Lenin de discussies vanop het congres samen in zijn boek “Eén stap voorwaarts, twee stappen achteruit”. De meningsverschillen gingen tussen het standpunt dat het congres het hoogste orgaan van de partij was en een pragmatische opportunistische positie. Martov en zijn aanhangers zeiden dat “iedere staker” een lid zou moeten kunnen zijn, maar in de praktijk hanteerden ze de lossere standaard voor lidmaatschap vooral voor hun academische vrienden, waardoor iedere professor en iedere student lid konden worden. Die konden lid worden zonder deelname aan het interne leven van de partij – zonder verantwoordelijkheden of verplichtingen.

De mensjewieken kwamen op voor een “brede arbeiderspartij” tegen wat werd voorgesteld als de kleine groep “samenzweerders” van Lenin. Maar meer mensen als lid beschouwen en de cijfers van lidmaatschap verhogen, betekent niet noodzakelijk een versterking van de partij. Meer individualisten van kleinburgerlijke afkomst zouden een “gastoptreden” kunnen maken als sociaal democraten. Om het tsarisme te bestrijden en een kracht tegen het kapitalisme op te bouwen was er nood aan een arbeiderspartij met een collectieve organisatie die met een meerderheid beslissingen kon nemen.

Iskra stond voor twee fundamentele methoden inzake partij-opbouw: centralisme en een belangrijke rol voor het blad om de partij te verenigen in haar clandestiene werking. Het idee van centralisme werd toen reeds, en later nog veel sterker, vervormd alsof het betekent dat er een ‘top-down’ houding zou zijn waarbij de leiding alles beslist. Rosa Luxemburg, die ervaring had met een dergelijke leiding in de Duitse Sociaal Democratische Partij (SPD) die naar rechts draaide en comfortabele posities kon aanbieden aan haar leiders, bekritiseerde Lenin voor zijn nadruk op centralisme en de nood van professionele revolutionairen.

Lenin antwoordde haar dat hij niet één organisatievorm tegenover een andere verdedigde, maar het idee zelf van een organisatie. Als de partijbeslissingen en het programma niet gecentraliseerd zijn, is er niet één partij maar zijn er verschillende. Meningsverschillen kunnen bediscussieerd worden in een gecentraliseerde partij.

Over de kwestie van professionele revolutionairen gaf Lenin later toe dat hij die kwestie wat teveel had benadrukt, omdat het toen nog niet duidelijk was dat leidinggevende partijleden ook voor de partij zouden moeten werken. En in tegenstelling tot de SPD kregen de voltijdse Bolsjewieken geen privileges.

Democratisch centralisme

Lenin was er voorstander van dat de partij zou functioneren op basis van democratisch centralisme. De Mensjewieken en de SPD gebruikten ook die uitdrukking. De SPD was, zonder twijfel, de grootste partij binnen de Tweede Internationale en werd gezien als een marxistische en revolutionaire partij. Rosa Luxemburg was één van de weinige leiders die het sluipende proces van degeneratie in de partij had opgemerkt.

De Bolsjewieken gebruikten democratisch centralisme waarmee ze bedoelden: zo volledige mogelijke vrijheid in de vele en uitgebreide interne discussies en het gezamenlijk uitvoeren van de genomen meerderheidsbeslissingen. Dit werd compleet vervormd onder het bureaucratische en dictatoriale centralisme van het Stalinisme. Stalin kwam aan de macht in de jaren ’20 en ’30 doorheen wat in de praktijk een eenzijdige burgeroorlog was. Er waren massale vervolgingen en zuiveringen tegen de leiders en leden van de Bolsjewieken. Een gepriviligeerde bureaucratie nam de macht in de Sovjetunie. Onder het stalinisme waren meningsverschillen verboden, zowel in de Russische partij als in de ‘communistische’ partijen elders ter wereld.

Twee stappen achteruit

Als het congres een stap vooruit betekende, dan werden de maanden na het congres twee stappen achteruit gezet. In de strijd op het congres hadden Martov en de Mensjewieken een alliantie gevormd met de rechterzijde in de partij. Dit leidde tot tegenstellingen na het congres en het ontwikkelde tot politieke meningsverschillen. Lenin’s standpunt was dat de discussies op het congres geen reden waren voor een splitsing in de partij. Zowel Lenin als Plekhanov deden daarom een voorstel om de gemoederen te bedaren en om de vier andere voormalige redactieleden opnieuw op te nemen in de redactieraad. Maar de vier weigerden. Plekhanov, die voordien scherpe kritieken had geleverd op het organisatorische opportunisme van Martov, capituleerde. Hij wou eenheid tegen iedere prijs en begon de kritiek van Lenin op de Mensjewieken als de voornaamste oorzaak van het probleem te zien. De bocht van Plekhanov deed Lenin beslissen om de redactieraad te verlaten waarop de vier anderen terugkwamen.

De “nieuwe Iskra” nam na het vertrek van Lenin een nieuwe politieke lijn aan. De beslissingen en discussies vanop het congres werden in het belachelijke getrokken door Plekhanov die een artikel schreef onder de titel: “Wat niet te doen?”. Het blad benadrukte dat “politiek” belangrijker was dan organisatorische kwesties. Dat is een standpunt waarmee alle marxisten akkoord gaan, maar voor de nieuwe Iskra betekende dit het vermijden van alle discussies over partij-opbouw. Hun positie was dat de Bolsjewieken alle “individuele initiatieven” onmogelijk maakten. Als ze daarmee bedoelden dat de verschillende “leiders” niet langer konden doen wat ze wilden, waren ze correct.

Lenin beantwoordde het standpunt van de Mensjewieken met de eis voor meer duidelijkheid over de partijleiders: verantwoording van hun activiteiten en acties, de mogelijkheid om te protesteren doorheen resoluties en in het slechtste geval de mogelijkheid om leiders te vervangen als ze niet voldoen en dit allemaal om de democratie in de partij te versterken. Het zou de partij laten verschillen van een vereniging van kringen, waar dreigementen om “weg te lopen” een normale wijze van debatteren vormden. Dat was ook de methode van Martov na het congres toen hij weigerde deel te nemen aan de redactieraad ondanks het feit dat hij ertoe verkozen was.

De debatten binnen de Russische Sociaal-democratische Arbeiderspartij waren in die periode erg scherp. Lenin schreef zelf in 1907: “De twee brochures ‘Wat te doen?’ en ‘Eén stap voorwaarts, twee stappen achteruit’, bieden de lezer een verhitte, soms bittere en afbrekende controverse in de buitenlandse kringen. Ongetwijfeld waren er heel wat onsympathieke elementen in deze strijd. Enkel de verbredening van de partij met de recrutering van proletarische elementen kan, indien het gecombineerd wordt met openlijke massa-activiteiten, een einde maken aan de overblijfselen van de sfeer van de kringen.”

In de daaropvolgende jaren vormden de Bolsjewieken duidelijk het arbeiderselement binnen de Sociaal-democratische partij. Bij de eerste Russische revolutie van 1905 waren de mensjewieken ervan overtuigd dat de kapitalistische klasse moest betrokken worden in de beweging omdat de volgende fase van de Russische ontwikkeling zou bestaan uit een democratische kapitalistische samenleving. De Bolsjewieken anderzijds benadrukten de onafhankelijkheid van de arbeidersklasse en de noodzaak om geen vertrouwen te hebben of zich te onderwerpen aan de kapitalisten, zelfs al werden de democratische taken van de revolutie benadrukt: het omverwerpen van de tsaar, het vraagstuk van de landbouwgrond oplossen, nationale bevrijding. De revolutie van 1905 leidde tot een nederlaag waarop verschillende jaren van reactie volgden.

Pas met de heropleving van arbeidersstrijd in 1912 werden de Bolsjewieken en de Mensjewieken ook formeel verschillende partijen. Deze splitsing werd bevestigd bij het uitbreken van de eerste Wereldoorlog waarbij Plekhanov het Russische imperialisme steunde in de oorlog.

In het jaar van de revolutie, 1917, wonnen de Bolsjewieken de steun van een meerderheid van de arbeiders en soldaten. De politieke groep die op een moeilijke wijze tot stand kwam in 1903, won in aanzien doorheen de verschillende strijdbewegingen en de Bolsjewieken toonden aan dat ze in staat waren om de machtsovername door de arbeidersklasse mogelijk te maken – een historische gebeurtenis die de rest van de wereld op haar grondvesten deed daveren.