4. Van Augustus tot Oktober

oktober-17‘1. De klasse, die de voorhoede van de revolutie vormt, stond nog niet aan onze kant. Wij hadden nog niet de meerderheid onder de arbeiders en de soldaten in de hoofdsteden. Thans beschikken wij over de meerderheid in de beide sovjets. Deze meerderheid is pas door de geschiedenis van juli en augustus tot stand gekomen, door de ervaring opgedaan met de ‘afrekening’ met de bolsjewieken en tijdens de Kornilow-putsch.

2. Er was toen geen revolutionair elan bij het gehele volk. Thans, na de Kornilow-putsch, is dit aanwezig. De provincie en het op vele plaatsen overnemen van de macht door de sovjets bewijzen dit.

3. Er waren toen onder onze vijanden en onder de besluiteloze kleine burgerij geen weifelingen op grote, algemeen politieke schaal. Thans zijn de weifelingen geweldig …

4. Op 3 en 4 juli zou de opstand derhalve een fout zijn geweest: we zouden de macht noch fysiek, noch politiek hebben kunnen houden…’
(Lenin over de juli-opstand, zie: Marxisme en opstand, geschreven op 13/14 september 1917, in: Keuze uit zijn werken, dl.III, Progres, Moskou 1975, p.10)

‘Partijgenoten, Ik schrijf deze regels om 12 uur ’s avonds. De toestand is uitermate kritiek. Het is zonneklaar dat thans verder uitstel van de opstand reeds waarlijk gelijk staat met de dood…’
(Lenin, Een brief aan de leden van het Centraal Comitee van 24 oktober 1917, Keuze uit zijn werken, dl.III, p.43)

‘De Maand van Grove Belastering’

De contrarevolutie was, na de julinederlaag, niet tevreden met de onderdrukking van de pers van de bolsjewieken en de vervolging van hun partijorganisaties; ook de reputatie van het bolsjewisme moest worden ontdaan van de geloofwaardigheid die door jarenlange strijd en door maandenlang deskundig inspelen op de politieke situatie na de Februari-Revolutie was opgebouwd.

Op 4 juli, temidden van de julidagen nog, waren regeringskringen rond Kerenski begonnen met in het Uitvoerend Comité van de Sovjet het gerucht rond te strooien dat er eindelijk bewijzen waren gevonden van ‘Lenins verbindingen met de Duitse generale staf.’

Deze beschuldiging vond aanvankelijk zo weinig steun in de publieke opinie dat de mensjewistische ministers Tcheïdze en Tseretelli zich genoodzaakt zagen om de redacties van de voornaamste kranten persoonlijk langs telefonische weg af te raden de geruchten af te drukken.

Maar de laster had al een eigen leven verworven. Het doorbreken van het publicatieverbod door een kleine, voor de rest onbeduidende krant, was voldoende om de sensatiezucht en de antibolsjewistische ingesteldheid van de grotere kranten tot onweerstaanbare hoogten te prikkelen: een dag later was het verhaal van ‘de Duitse agent Lenin’ de ‘scoop’ bij uitstek.

De beschuldigingen waren vooral gebaseerd op de verklaringen van een zekere Jermolenko, wiens verleden op zichzelf al de betrouwbaarheid van het gerucht in een kwaad daglicht stelde: vanaf de Japanse oorlog in 1904 tot ’13 betaald agent van de tsaristische contraspionage; in ’13 om duistere redenen ontslagen als officier; in ’14 opnieuw ingelijfd bij het leger en als krijgsgevangene van de Duitsers belast met ‘politioneel toezicht’ op zijn medegevangenen; werkte daarna achter de Russische linies in dienst van de Duitse inlichtingendienst… in welke hoedanigheid hij door zijn Duitse oversten zou zijn ingelicht dat Lenin in Rusland gelijkaardige activiteiten ontplooide.

Jermolenko’s verklaringen zetten een hele stroom van nog minder controleerbare geruchten in gang, waartegen de bolsjewieken zich slechts met de grootste inspanningen konden verdedigen. Vergeten we niet dat de bolsjewistische partij vanuit de illegaliteit op deze beschuldigingen moest antwoorden, terwijl de reactionaire officieren en perslui na de nederlaag van de juliopstand vrij spel hadden.

Maar na een maand begon de stroom van roddels, bij gebrek aan harde bewijzen, uit zichzelf te verflauwen en begin augustus vond Tseretelli het ‘gepast’ om in het Uitvoerend Comité van de Sovjet te verklaren dat hij “de bolsjewistische leiders, die ervan beschuldigd werden aan de basis te liggen van de opstand van 3 tot 5 juli, er niet van verdacht in verbinding te staan met de Duitse generale staf.”

Als de roddeljournalistiek naar de achtergrond van het politieke toneel verdween, dan was het om plaats te maken voor de generaals, die al maanden stonden te springen om het onvolbrachte werk van de ganzenpen af te maken met de scherpe punt van de bajonet…

De samenzwering van Kerenski en de Kornilov-putsch

Als minister van oorlog vanaf april de sterke man van de Voorlopige Regering, was Kerenski de vanzelfsprekende opvolger van vorst Lwow, de feitelijke eerste minister, die op 8 juli ontslag nam.

Hoewel op de hoogte van de samenzweringen binnen de oude legertop – die van plan waren om ook de gematigde socialisten van de macht te verdrijven – begon Kerenski, waarschijnlijk met de bedoeling zich aan de nakende afrekening te onttrekken (en er als overwinnaar uit te komen), zichzelf aan het hoofd te stellen van het militaire complot tegen zijn eigen regering. De generaals van hun kant zagen in de medewerking van Kerenski een buitenkans om aan hun geplande staatsgreep een wettig karakter te geven.

In ieder geval was vanaf midden augustus het gevaar van een militaire staatsgreep een realiteit. Op persoonlijk bevel van Kerenski werden de meest politiek betrouwbare regimenten van het front weggenomen en onder het commando van generaal Kornilov geplaatst. Ofschoon ze voorlopig nog de pluimen van Kerenski bleven strijken, waren de militaire bevelhebbers niet van plan om de macht te delen met de minister-president, laat staan zich aan zijn bevelen te houden.

De roebel in Kerenski’s hoofd viel een beetje traag, maar hij viel. Toen hij doorkreeg dat generaal Kornilov van plan was alle macht naar zich toe te trekken, beval hij, naast het ontslag van Kornilov, de putschisten hun opmars af te breken en terug te keren naar hun kazerne.

Met de soldatenlaconiek die naar het schijnt behoorde tot de persoonlijke stijl van de generaal, antwoordde Kornilov: “Dit bevel niet uitvoeren, troepen naar Petrograd laten oprukken.” Daarmee was de breuk tussen Kerenski en de samenzweerders een feit.

De bajonetten waarmee Kerenski zijn troon wou bouwen, begonnen in zijn eigen achterwerk te prikken. Op de avond van 26 augustus trachtte zowel de voltallige liberale als socialistische fractie in de regering het zinkend schip te ontvluchten, door collectief ontslag te nemen. Zoals Trotski schreef: “Kornilov’s succes leek zeker.” (Geschiedenis der Russische Revolutie, dl.II, p.815)

De bolsjewieken in actie …

Op het eerste zicht hadden de bolsjewieken alle redenen om tijdens deze krachtmeting tussen de twee would-be Napoleons afzijdig te blijven. Tenslotte waren de vervolgingen van de regering-Kerenski tegen de Bolsjewistische Partij nog steeds aan de gang. Lenin zat nog steeds ondergedoken in de Finse moerassen, Trotski bevond zich vanaf 23 juli in de gevangenis. Maar zowel Lenin als Trotski wisten dat de uitschakeling van Kerenski voor de militairen slechts een tussenstadium zou zijn op de weg naar de bloedige uitzuivering van alle revolutionaire elementen in Rusland.

Ze besloten dat het noodzakelijk was om ‘Kerenski te gebruiken als geweersteun.’ Vechten tegen Kornilov betekende niet noodzakelijk steun aan Kerenski, maar het gevecht met de putschisten uit de weg gaan, zou zoveel betekenen als de massa’s blootstellen aan de contrarevolutie. Op 28 augustus viel het garnizoen van Loega in de handen van Kornilov, waarmee de eigenlijke krachtmeting tussen (wat nog overschoot van) de Voorlopige Regering en de militairen begonnen was.

Kerenski zag geen andere keuze meer dan de bevolking van Petrograd te bewapenen en de vervolgingen tegen de bolsjewieken terug te schroeven. Trotski werd begin september vrijgelaten. Duizenden arbeiders meldden zich klaar voor de strijd. Vrouwen en kinderen hielpen bij het graven van loopgrachten, arbeiders braken spoorlijnen op en spoorwegbedienden leidden treinen van de putschisten in de verkeerde richting. De dreiging van Kornilov was de zweepslag die de door de julinederlaag ontmoedigde massa’s van Petrograd opnieuw de straten opdreef.

Ondanks het feit dat de zaken leken uit te draaien op een kolossale burgeroorlog, werd de staatsgreep van Kornilov verslagen nog voor de eerste cavalerist de buitenwijken van Petrograd bereikt had. De augustuscoup liep te pletter op een veelheid van onopvallende schakels: de telegraafbediende die weigerde bevelen door te seinen; de staljongen die het ‘A cheval’ van de officieren beantwoordde met de paarden te ontzadelen, zich een sigaret te rollen en zich ‘revolutionair afzijdig’ in het gras te leggen; de spoorwegarbeider die ‘per ongeluk’ de verkeerde wissel omdraaide, … Maar achter deze onopvallende schakels stond het werkelijke ‘geheime wapen van de revolutie’. En we hebben er opnieuw schik in om de burgerlijke historicus Goldston aan het woord te laten:

“‘Bijna overal,’ schreef generaal Krasnov vol ellende, ‘zagen we hetzelfde beeld. Op de spoorbaan, of in de wagons, of in het zadel van hun zwarte of gevlekte paarden … zaten of stonden dragonders met in hun midden één of ander levendig figuur in een soldatenjas.’ Die ‘levendige figuur’ was het geheime wapen van de revolutie: de soldaat, arbeider of boer die de zaken aan zijn kameraden kon uitleggen. Alle intriges en plannen, alle ijdele verklaringen van generaals en politici waren machteloos tegenover zijn oprechtheid, zijn eenvoudige woorden, zijn diepe, persoonlijke begrip voor de mannen waarmee hij praatte, mannen als hijzelf. Deze agitator in zijn ‘soldatenjas’ was iemand die de soldaten konden begrijpen en hij zei dingen die ze wilden horen.” (De Russische revolutie, p.163)

De kern van Kornilovs strijdmacht, de zogenoemde ‘Wilde Divisie’ – wrede ruiters uit de bergen van de Kaukasus – werd benaderd door een afvaardiging van Kaukasische hoofdlieden die hen in begrijpelijke taal het bolsjewistische programma uiteenzetten. In plaats van de agitatoren te arresteren, namen de mannen van de Wilde Divisie hun eigen officieren gevangen en weigerden nog langer de bevelen van Kornilov op te volgen.

En zo bezweek de laatste samenzwering van de generaals aan de tegenstand van een door de bolsjewieken gesmeed eenheidsfront tussen de eigen basis en de overige vooruitstrevende elementen in de Russische samenleving.

De regering-Kerenski van haar kant, had nu nog slechts het toekijken en de ijdele hoop dat de bolsjewieken deze ideale kans om de macht te grijpen aan zich zouden laten voorbijgaan.

Na de nederlaag van Kornilov viel de ene sleutelpositie na de andere in de handen van de bolsjewieken. Bij de gemeentelijke verkiezingen van 24 september in Moskou sleepten de bolsjewieken 350 van de 710 zetels in de wacht. Op 25 september werd Trotski verkozen tot voorzitter van de Petrogradse sovjet. De Bolsjewiek Nogin werd voorzitter van de Moskouse sovjet. De sovjets van Kaloega, Tasjkent, Reval in Estland, Kazan, enz. verkozen alle een bolsjewistische leiding.

In de hoop alsnog tot een vreedzame machtsoverdracht te komen, trachtte Lenin de mensjewistische en sociaalrevolutionaire leiders over te halen om gemeenschappelijke zaak te voeren en een eenheidsregering te vormen. De mensjewistische leiders (die ondertussen nog slechts zichzelf en een miniem deel van de arbeiders vertegenwoordigden) weigerden resoluut. Slechts de linkerzijde van de sociaalrevolutionairen stemde toe.

Na de weigering van de mensjewieken, wist Lenin dat een gewapende machtsgreep van de sovjets een onoverkomelijke noodzaak geworden was. Maar ook hier stootte hij opnieuw op interne tegenstand.

Hoewel het centraal comité van de bolsjewieken zich al op 10 oktober voor de gewapende opstand verklaard had, publiceerden de bolsjewistische leiders Zinovjew en Kamenew op 18 oktober een open brief (in volle periode van voorbereiding van de revolutie!) waarin zij zich tegen de opstand verzetten. Lenin was echter zo verknocht aan de democratische tradities van zijn eigen partij (waaraan de heren Kamenew en Zinovjew in de jaren ’20 samen met Stalin zelf een einde zouden helpen maken) dat hij deze stuitende breuk met de partijdiscipline slechts in woorden veroordeelde en zich concentreerde op het overtuigen van de rest van de leiding om het plan van de opstand ten uitvoer te leggen.

De kunst van de opstand

Er bestaan geen formele regels die voor alle omstandigheden bepalen wanneer en hoe de machtsovername precies moet plaatsvinden. Hoewel de wetenschappelijke redenering een onmisbaar hulpmiddel kan zijn, is de opstand, net zomin als militaire tactiek en strategie, een wetenschappelijke discipline. De opstand is een kunst.

Men weet enkel dat de twee à drie dagen na het begin van de revolutionaire machtsovername bepalend kunnen zijn voor haar succes of mislukking, een periode binnen dewelke men dus alle zwakheden van de vijand (zijn aarzelingen om terug te slaan, zijn gebrek aan sociale basis, …) moet weten uit te buiten en hem alle mogelijke wapens voor een tegenoffensief uit de handen moet graaien door de inname van de voornaamste verkeersknooppunten, communicatiekanalen, de arrestatie van de meest gevaarlijke tegenstanders, het neerslaan van de laatste gewapende tegenstand, enz..

Maar de meest netelige beslissing blijft toch nog altijd de keuze van de datum of met andere woorden: het juist inschatten van het moment waarop de opstand de meeste steun zal genieten bij de meerderheid van de bevolking. Een vergissing in dit opzicht kan de nederlaag van de revolutie betekenen. De bolsjewieken kozen ervoor om de machtsovername samen te laten vallen met het Tweede Alrussische Congres van de Sovjets op 26 oktober 1917.

Vanaf de 20ste oktober legde het Militair Revolutionaire Comité (MRC) van de Petrogradse sovjet onder leiding van Trotski de laatste hand aan de praktische voorbereiding van de acties. Op 24 oktober beval Kerenski de arrestatie van het MRC. Op 25 oktober, om 2 uur ’s morgens gaf Trotski, vanuit het bolsjewistische hoofdkwartier in het Smolny-instituut, een in beslag genomen onderwijsinstelling voor adellijke jongedames, het startsein voor de machtsovername.

“De laatste fase, toen de opstandelingen de conventies van de dubbele heerschappij met hun dubbelzinnige legaliteit en verdedigingsfraseologie definitief lieten vallen, duurde precies 24 uur: van 2 uur in de nacht van de 25ste tot 2 uur in de nacht van de 26ste. In dit tijdvak maakte het MRC openlijk gebruik van de wapens om de stad te veroveren en de regering gevangen te nemen: er namen in het algemeen zoveel krachten aan de operaties deel, als nodig waren, om de beperkte taak te vervullen en in elk geval nauwelijks meer dan vijfentwintig à dertigduizend man.” (Trotski, Geschiedenis der Russische Revolutie, dl.III, p.1312)

Met een minimum aan bloedvergieten vielen de voornaamste strategische knooppunten van Petrograd in de handen van de opstandelingen. In Moskou, waar de contrarevolutie steviger wortels in de grond had gezonken, organiseerden mensjewistische en sociaalrevolutionaire leiders een witte garde die meedogenloos en willekeurig arbeiders begon neer te sabelen. Hier duurden de straatgevechten geen 24 uur, maar zes dagen: tot 2 november.

In ieder geval was het aantal te betreuren slachtoffers aan beide zijden een fractie van het aantal dat in de februaridagen was gebleven. Deze relatief onbloedige overwinning was het gevolg van de gedetailleerde planning en de pijnlijk secure politieke berekening van de bolsjewieken. Een dergelijke afwikkeling van de revolutie was nooit mogelijk geweest, wanneer de Oktoberrevolutie (zoals burgerlijke commentatoren vaak beweren) geen echte revolutie was geweest maar een putsch, d.w.z . een van de wil der massa’s geïsoleerde poging tot staatsgreep.

Vooral na de val van de stalinistische staten overheerst de modieuze gedachtegang die de stalinistische ontaarding van de revolutie rechtstreeks afleidt uit de machtsovername in oktober 1917. Wij van onze kant hebben de lezer in deze bijdrage voldoende historisch materiaal trachten aan te reiken om zijn inzicht aan te scherpen dat de democratische tradities van het bolsjewisme en de eerste jaren van de Sovjetunie geen enkel uitstaans hebben met de bureaucratische schimmelziekte die zich in de moeilijke jaren na de revolutie op de arbeidersdemocratie heeft geënt en deze naar haar ondergang heeft gevoerd.

De uiteindelijke overwinning van het stalinisme is de bekroning van de bureaucratische contrarevolutie bij het einde van de jaren ’20 en het begin van de jaren ’30, net zoals de machtsgreep van Napoleon in 1799 in de lijn lag van de contrarevolutie van Thermidor in 1794 tegen het revolutionaire regime van St. Juste en Robespierre. Zoals Napoleon zijn dictatuur gehuld heeft in de verworvenheden van de Franse Revolutie, moest de leugenfabriek van Stalin de tradities van oktober ter hulp roepen om de heerschappij van de bureaucratie te rechtvaardigen.

Net zoals de burgerij in 1989 met veel verdraaiingen en halve waarheden ‘haar’ Franse Revolutie heeft herdacht, vinden wij in de werkelijke geschiedenis voldoende aanleiding om de honderdste verjaardag te vieren van de grootste gebeurtenis van de twintigste eeuw: de machtsgreep van de Russische arbeidersraden in oktober 1917.