De “Juli-dagen” in 1917 – lessen voor vandaag

Dossier door Peter Taaffe uit 2007.

petrogradTussen februari 1917 en oktober 1917 waren er heel wat belangrijke veranderingen in de situatie in Rusland. In april werd een voorlopige regering gevormd met “socialisten” – de Sociaal Revolutionairen (SR) en de Mensjewieken (minderheid) – en kapitalistische ministers die de bloedige wereldoorlog verder zetten.

De massa’s van de arbeiders samen met de boeren en zeker de tien miljoen soldaten waren de oorlog echter compleet moe en er was een verzuchting naar het einde van de slachtpartij. Zelfs de raden van arbeiders en boeren, de sovjets, steunden echter de verderzetting van de oorlog. Deze raden werden gedomineerd door de SR en de Mensjewieken.

Deze partijen stonden ook vijandig tegenover de eisen van de arbeiders, zoals de eis van de invoering van de achturendag. Aanvankelijk gaven de kapitalisten toe aan deze eis van de arbeiders. Zoals meermaals gebeurd is in de geschiedenis, gaven de heersende klassen tijdelijk toe onder druk van de beweging, om later deze ‘hervormingen’ te ondermijnen en duidelijk te maken dat het slechts tijdelijke toegevingen waren. Zo zien we vandaag hoe in Frankrijk het regime van de nieuwe rechtse president Sarkozy de 35-urenweek probeert te ondermijnen. Die arbeidsduurvermindering was er onder een eerdere sociaal-democratische regering van Jospin gekomen, maar zal nu verdwijnen indien de regering haar zin krijgt.

Een kortere arbeidsweek is nochtans belangrijk om de massa’s te kunnen betrekken in het nemen van beslissingen, zeker in perioden van revolutie. Als de arbeiders vastgeketend is aan de bedrijven en kantoren (zoals nu het geval is), blijft er weinig tijd over voor een betrokkenheid in het “gemeenschapsleven”, in de vakbonden of politieke partijen. Zo zien we dat Groot-Brittannië de langste werkweek van West-Europa kent. Heel wat arbeiders moeten twee of zelfs drie jobs aannemen om het hoofd boven water te kunnen houden. Op basis van het kapitalisme kan het nog erger worden. “We bevinden ons in de eerste stadia van een trend naar een langere werkweek gedurende de komende 30 jaar of langer.” (Hamish McRae, The Independent).

Een principiële positie

Het eerste al-Russische congres van sovjets op 3 juni 1917 werd gedomineerd door de SR en de Mensjewieken. Dit congres weigerde om de achturendag door te voeren. Dit thema en andere beslissingen zorgden voor heel wat woede onder de massa’s, zeker in Petrograd (het latere Leningrad en nu terug Sint-Petersburg). Het zorgde voor een groei van de steun voor de Bolsjewieken. De situatie bij het begin van de revolutie werd door Trotski als volgt omschreven: “Niet enkel in de soldatenraden, maar ook in de arbeidersraden omvatte de Bolsjewistische fractie meestal 1 tot 2% van de afgevaardigden, maximaal 5%. De leidinggevende organen van de kleinburgerlijke democraten [de Mensjewieken en zogenaamde Sociaal-revolutionairen] kregen de steun van zowat 95% van de arbeiders, soldaten en boeren die deelnamen aan de strijd.”

Van bij het begin werden de Bolsjewieken aangevallen omdat ze de echte belangen van de massa’s verdedigden en opkwamen voor brood, vrede, land en vrijheid. Op kleinere schaal zien we gelijkaardige aanvallen ook bij ons als bijvoorbeeld strijdbare delegees of andere militanten onder vuur worden genomen door hun patroons of zelfs door rechtsere elementen binnen de vakbondsorganen.

De Bolsjewieken negeerden de parlementairen van de andere partijen en de toplaag van de arbeidersbeweging om hun aandacht volledig te richten op de massa’s en in het bijzonder de meest onderdrukte lagen. De volledige media, met inbegrip van de bladen van de Mensjewieken en de SR, trok hierop ten strijde tegen de Bolsjewieken.

Zelfs in de eerste maanden na de februarirevolutie werd reeds geprobeerd om de Bolsjewieken te discrediteren door de beschuldiging dat er goud vanuit Duitsland werd gegeven aan de Bolsjewieken of dat Lenin zich schuil hield in een Duits vliegtuig. Dit zorgde ervoor dat een aantal soldaten en matrozen ermee dreigden om Lenin en andere Bolsjewistische leiders eens goed aan te pakken.

Maar de brutale ervaringen van de massa’s in de loopgraven en de fabrieken zorgden voor desillusies in de andere partijen. De verontwaardiging van de soldaten en matrozen tegen de Bolsjewieken werd vrij snel omgevormd tot een enorme steun en groot vertrouwen in deze formatie met een bereidheid om hen te volgen tot op het bittere einde. Anderzijds ging de haat en afkeer van de massa’s tegenover de kapitalistische Kadettenpartij al snel over op haar bondgenoten bij de Mensjewieken en SR.

In Groot-Brittannië maakten we in de jaren 1980 en vroege jaren 1990 gelijkaardige snelle ontwikkelingen mee met onze organisatie. Van een kleine kracht werden we vrij snel de dominante politieke trend in de strijd van het linkse stadsbestuur van Liverpool in 1983-87. Dat gebeurde niet op basis van manoeuvres, zoals sommige tegenstanders destijds stelden, maar op basis van onze argumenten en activiteiten die leidden tot een massale steun onder de arbeiders omwille van onze correcte perspectieven, programma, strategie en tactieken en onze bereidheid om tot op het einde te strijden tegen Thatcher. Hetzelfde zagen we met de strijd tegen de poll tax (een gehate asociale belasting die werd doorgevoerd door Thatcher). Daarbij slaagden we er met Militant in om een beweging te leiden van 18 miljoen mensen die weigerden hun belasting te betalen. Dat zorgde ervoor dat de belasting werd afgevoerd en uiteindelijk de regering van Thatcher eveneens.

Veranderingen in het bewustzijn

In 1917 was er een bijzonder snelle ontwikkeling en werden lessen getrokken uit de revolutionaire beweging. De Bolsjewieken slaagden er in om snel te groeien en steun te winnen. Van 2.000 leden in Petrograd in februari 1917 (een aantal historici stellen dat het er mogelijk 3.000 waren), groeiden de Bolsjewieken tot 16.000 leden in april (met 79.000 leden op nationaal vlak). In de julidagen hadden de Bolsjewieken nationaal 200.000 leden.

De verontwaardiging van de massa’s tegenover de regering kwam tot uiting in juni 1917. Op 18 juni was er een massale betoging met zo’n 500.000 tot 800.000 arbeiders betoogden door Petrograd. De Mensjewieken en SR-meerderheid moesten onder druk van onderuit mee oproepen tot de betoging. Zo hoopten ze de impact van de Bolsjewieken op de basis te beperken. Maar dat mislukte compleet.

“De op het Marsveld bijeengekomen Sowjet-afgevaardigden telden de doeken en lazen de opschriften. De eerste bolsjewistische leuzen werden half ironisch opgenomen. Zeretelli had immers de avond te voren zo vol vertrouwen zijn uitdaging gedaan. Dezelfde leuzen keerden echter telkens weer terug. “Weg met de tien kapitalistische ministers”, “Weg met het offensief”, “Alle macht aan de Sowjets”” (Trotski’s Geschiedenis van de Russische Revolutie, http://www.socialisme.be/

Reactionaire pro-kapitalistische historici suggereerden dat revolutie voortkomt uit ‘samenzweringen’ of door de ‘agitatie’ van de revolutionaire partij. Een revolutie is echter onderhevig aan een aantal steeds terugkerende regels. De massa’s zijn zich veelal niet bewust van deze regels, maar veranderingen in het bewustzijn van de massa’s komen voornamelijk voort uit objectieve ontwikkelingen. Die ontwikkelingen kunnen tot op zekere hoogte worden uitgelegd op basis van een marxistische methode.

De junidagen van 1917 leidden rechtstreeks tot de ‘halve opstand’ van juli 1917. Dat gebeurde eerder nog: de “junidagen’ van de revolutie van 1848, de Spartakistenopstand van januari 1919 in Duitsland of de “meidagen” in Barcelona in 1937.

De werkende massa’s waren er zich van bewust dat hun revolutie het oude regime had omvergeworpen, maar de verworvenheden van hun revolutie dreigden hen te ontglippen. Er was dan ook geen andere keuze dan op straat te komen. Dat gebeurde begin juli 1917, in het bijzonder in Petrograd.

Dit was geen uitdrukking van het feit dat de Bolsjewieken erop uit waren “de macht te grijpen”, zoals de rechtse historicus Richard Pipes beweert. De Bolsjewieken en zeker Lenin stonden op dit punt op de remmen.

Er was een enorm ongeduld onder de arbeiders, ook onder de arbeiders die onder Bolsjewistische invloed stonden. Daar weerklonk wel eens het idee dat het tijd werd dat de Bolsjewieken meer initiatief aan de dag zouden. Een poging om dat ogenblik de voorlopige regering omver te werpen, was echter prematuur geweest.

De revolutie van 1905, de algemene repetitie voor 1917, was deels mislukt omdat de boeren niet bereid waren om de arbeiders volledig te steunen. In juli 1917 was Petrograd verder ontwikkeld dan de rest van het land. Op 21 juni stelde Lenin het blad Pravda aan de arbeiders en soldaten van Petrograd dat ze beter zouden wachten tot de verdere ontwikkelingen “de zware bataljons aan de kant van Petrograd zouden brengen”.

Tegelijk probeerde de regering om de meer revolutionaire delen van het leger in Petrograd naar het oorlogsfront te verplaatsen. De sfeer onder de arbeiders begon over te koken met eisen voor actie van de gewapende soldaten. Toen de Bolsjewieken de arbeiders probeerden tegen te houden en tot geduld aan te zetten, werd dit vaak negatief onthaald. “Jullie willen opnieuw uitstel, wij kunnen daar niet langer mee leven.”

De Bolsjewieken moesten van standpunt veranderen. Ze erkenden dat de ongeduldige arbeiders van Petrograd, die begin juli twee derden van hun stemmen voor de sovjets aan de Bolsjewieken gaven, vastberaden waren om op straat de confrontatie met de regering aan te gaan. Ze beslisten hierop dat de bolsjewieken zelf de betoging moesten aanvoeren.

Lenin wordt door de historicus Pipes voorgesteld als een hopeloze oproerkraaier die niet in staat was om een duidelijk standpunt in te nemen in juni en juli. Dit klopt echter niet. Lenin was aanvankelijk tegen de betoging, maar begreep de sfeer onder de massa’s en riep de Bolsjewieken op om de betoging te leiden om zo de schade te beperken.

Toen de betoging op 4 juli plaatsvond, ging dit gepaard met een enorme mediacampagne waarin werd gesteld dat de Bolsjewieken de macht zouden proberen over te nemen. Lenin en de Bolsjewieken zouden “Duits geld” hebben gekregen en de betogingen in juli werden zogenaamd “geleid door Duitsers”.

De betogers werden onder vuur genomen en er was een golf van repressie, met onder meer de dood van een jonge Bolsjewiek. Deze repressie werd gesteund door de “volledige socialistische media”, de bladen van de Mensjewieken en SR. Een redacteur schreef destijds: “De Bolsjewieken hebben zich gediscrediteerd en hebben afgedaan. Meer zelfs, ze zijn uit het Russische leven verdwenen, hun leer is een onomkeerbaar falen gebleken.” (The Bolsheviks Come to Power, by Alexander Rabinovich, p51).

De repressie en de maand van de beschuldigingen en laster werden ingezet tegen de arbeiders en de bolsjewieken. Sommigen onder hen, waaronder Lenin, moesten ondergronds gaan werken en anderen kwamen in de gevangenis terecht. De historicus Orlando Figes beschuldigde: “Lenin overschatte altijd het fysieke gevaar voor hemzelf, op dat vlak was hij zelfs wat laf. Er kan echter niet gesteld worden dat zijn leven direct bedreigd werd in deze zomer.”

Dezelfde ‘objectieve’ historicus schreef een paragraaf verder: “Omwille van de gespannen anti-Bolsjewistische sfeer, is het niet moeilijk om te begrijpen waarom Lenin zo bezorgd moest zijn voor zijn persoonlijke veiligheid. Hij werd afgemaakt in de media en er waren overal cartoons met Lenin die naar de slachtbank werd geleid.”

De weigering van Lenin om op dat ogenblik voor de rechters te verschijnen, was volledig terecht. Onder de rechters zou hij de ergste vijanden van de arbeiders, boeren en Bolsjewieken hebben gevonden. Zoals Trotski later stelde: “Het is voldoende om te kijken naar het lot van Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg”. Die twee leiders van de Duitse revolutie werden vermoord door reactionaire Junkers, die hiermee op politiek vlak de Duitse revolutie onthoofd hebben. Lenin ging ondergronds, niet zozeer om zijn persoonlijke veiligheid te beschermen, maar vooral omwille van het belang van de revolutie. Voor Lenin stonden de belangen van de revolutie steeds centraal. Als noch Lenin noch Trotski zouden hebben overleefd, zou dit wellicht problematisch geweest zijn voor de Russische Revolutie.

Contrarevolutie

De periode na juli 1917 was een “feest van de reactie”. Maar de krachten van de contrarevolutie waren niet sterk genoeg om de Bolsjewieken volledig te vernietigen en de arbeidersorganisaties te breken.

De lastercampagne tegen de Bolsjewieken werd later herhaald, maar uiteraard niet op een zelfde schaal, in zowat alle belangrijke sociale en klassenbewegingen. Kijk maar naar hoe de media de mijnwerkersstaking in 1984-85 had aangepakt. Of hoe de Belgische media uithaalde naar D’Orazio en de arbeiders van Forges de Clabecq toen die zich in de tweede helft van de jaren 1990 verzetten tegen de geplande sluiting van het bedrijf.

De repressie en laster kon de Bolsjewieken of de Russische arbeidersklasse niet breken. Soms heeft de revolutie de gevolgen van een contrarevolutie nodig. De contrarevolutie na juli 1917 leidde tot een poging van machtsgreep van de rechtse generaal Kornilov, met “het hart van een leeuw en het brein van een schaap”, in augustus 1917.

De staatsgreep van Kornilov werd verslagen door de arbeidersklasse met de Bolsjewieken in een prominente rol. We zagen een gelijkaardige ontwikkeling in de Portugese revolutie toen de rechtse generaal Spinola probeerde de macht over te nemen van de socialistisch-communistische coalitie in maart 1975. Spinola werd verslagen door de desertie van zijn eigen troepen die vervolgens de revolutie naar links duwden. Net zoals de troepen van Kornilov in 1917 weigerden de Portugese troepen om acties te ondernemen om Spinola te steunen zodra de situatie duidelijk was voor hen.

De gebeurtenissen van augustus 1917 waren een voorbereiding voor de oktoberrevolutie, waar we later nogmaals op terugkomen op deze website. Zoals alle fasen van de Russische revolutie waren de julidagen echter rijk aan lessen voor toekomstige bewegingen. Rusland in 1917 stond natuurlijk ver van de situatie af die we vandaag kennen in onder meer Europa. Rusland was een achtergebleven land dat werd gedomineerd door de boeren.

De wetten van revolutie en contrarevolutie onder het kapitalisme zijn relevant in alle landen en periodes. De afgelopen 90 jaar zijn er heel wat kansen geweest voor de arbeidersklasse om het voorbeeld van de Russische arbeiders in 1917 te volgen. Maar in tegenstelling tot 1917, door een gebrek aan degelijke leiding, werden de kansen niet gegrepen. Zelfs sommige kapitalistische commentatoren hebben een vaag bewustzijn over het feit dat onder de oppervlakte het economisch mechanisme van hun systeem niet zo sterk staat.

Jeremy Warner, hoofdredacteur van de economische redactie van The Independent, stelde op 23 juni in een tekst “Waarom ik mijn ‘Das Kapital’ van onder het stof heb gehaald”: “De wereld zoals het toen was, kent toch een aantal parallellen met de huidige overbelaste globale economie. Na decennia van isolement is het mogelijk dat een aantal van Marx’ centrale ideeën een zekere heropleving zullen kennen.” Hij haast zich uiteraard om er nog snel aan toe te voegen: “Ik heb het dan niet over revolutionair communisme”. Gelukkig voor hem.

Het kapitalisme zal leiden tot sociale uitbarstingen en massale bewegingen met de mogelijkheid van revolutie.Warner zelf heeft het over “nieuwe en vaak onverwachte vormen van klassenconflicten en afgunst.” Breukmomenten, sociale revolutie,… zijn niet alleen mogelijk maar ook waarschijnlijk in de toekomst. Het zal op heel wat vlakken verschillen van de gebeurtenissen in 1917, maar de processen zullen gelijkaardig zijn. De nieuwe generatie van jongeren en arbeiders moet zich daarop voorbereiden, onder meer door de echte geschiedenis van de Russische revolutie te bestuderen.