Wereldoorlog 1: De Bolsjewieken en de oorlog

worldwar1somme-tlDe horror van de Eerste Wereldoorlog en de economische en sociale ongeregeldheden leidden tot massale onrust. Enkel in Rusland kwam het tot een geslaagde revolutie en het opzetten van de eerste arbeidersstaat in de wereld. Dit was enkel mogelijk omdat de arbeiders door de Bolsjewieken werden geleid, terwijl die uitgerust waren met een duidelijk marxistische analyse en revolutionair programma. Een dossier door PETER TAAFFE uit 2014.

“De burgerij is niet stom, dat is een verdienste die niet kan ontkend worden. De burgerij voorzag het gevaar van het begin van de oorlog en met de hulp van de overijverige generaals werd het begin van de revolutie zolang mogelijk uitgesteld. In de eerste jaren van [de oorlog] had ik in Parijs toevallig een gesprek met enkele burgerlijke politici, en zij fluisterden me toe dat er als gevolg van de oorlog een grote revolutie zou losbarsten, maar ze hoopten dat ze deze uitbarsting aan zouden kunnen. Burgerlijke kranten en magazines (waaronder het Britse magazine The Economist in augustus, september en oktober 1914) voorspelden dat de oorlog de landen die erin betrokken waren, zou meetrekken in een beweging voor sociale revolutie”.  (The Military Writings of Leon Trotsky, Volume 1, How the Revolution Armed, 1918, vrije vertaling)

Ernstige vertegenwoordigers van het kapitalisme komen wel meer tot dezelfde conclusies als de vooruitziende marxisten, maar dan vanuit een tegengesteld klassenstandpunt. De kapitalisten dachten aan het begin van de Eerste Wereldoorlog dat ze de revolutie wel de baas zouden kunnen. Ze mispakten zich evenwel aan de leiding van Lenin, Trotski en de Bolsjewieken. Lenin nam een duidelijk en principieel klassenstandpunt in bij het begin van de oorlog. Hij verbond dit programma tevens met het ontwikkelende bewustzijn van de arbeidersklasse en de verschillende lagen van die klasse.

Alle oprechte socialistische internationalisten veroordeelden de oorlog. Ze gebruikten de grofste termen om de rechtse leiders van de Tweede Internationale te veroordelen toen die hun regeringen en kapitalisten steunden om de oorlog te rechtvaardigen waardoor de arbeidersklasse overgeleverd werd aan ellende en bloedvergieten. Karl Kautsky werd tot dan toe gezien als de ‘paus’ van het internationale socialisme en dit omwille van zijn grote politieke autoriteit. Maar hij en andere verraders van het socialisme werden scherp veroordeeld door Lenin, Trotski en andere revolutionairen die hem bestempelden als een ‘sociale chauvinist’: socialist in woorden, uitverkochte nationalist in de praktijk.

Niemand was scherper in zijn veroordelingen dan Lenin, de leider van de Russische Bolsjewieken. Hij veroordeelde niet alleen deze zogenaamde leiders maar formuleerde ook het beleid van het ‘revolutionaire defaitisme’. Sindsdien is er wellicht amper een onderdeel van de ideeën en standpunten van Lenin dat tot zoveel verwarring en politieke fouten heeft geleid. De formulering werd door activisten met diverse standpunten gebruikt om soms waanzinnige en alleszins verkeerde politieke standpunten te rechtvaardigen, zeker met betrekking tot oorlog. Het idee werd foutief als slogan gebruikt tijdens oorlogen, wat helemaal niet de bedoeling van Lenin was toen hij het idee bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog voor het eerst naar voor bracht.

Dergelijke fout is enkel mogelijk indien Lenins formule uit zijn historische context wordt gehaald en er bovendien niet begrepen wordt dat Lenin zich op dat ogenblik tot een bijzonder geïsoleerd en beperkt publiek van politiek ontwikkelde arbeiders richtte. Toen er later sprake was van een breed publiek en het leiden van de Russische massa’s, nam Lenin een andere benadering aan.

Toen de oorlog uitbrak, stelde Lenin: “De Europese en wereldoorlog heeft het duidelijk omschreven karakter van een burgerlijke, imperialistische en dynastieke oorlog. Het gedrag van de leiders van de Duitse Sociaaldemocratische Partij, de sterkste en meest invloedrijke in de Tweede Internationale,… een partij die voor de oorlogskredieten heeft gestemd en de burgerlijk-chauvinistische frasen van de Pruissische Junkers en de burgerij herhaalt, is een verraad aan het socialisme… [net zoals] het gedrag van de Belgische en Franse Sociaaldemocratische partijleiders… [die] het sociale verraden door in burgerlijke regeringen toe te treden.” (De taken van de revolutionaire sociaaldemocratie in de Europese oorlog, september 1914). Lenin veroordeelde ook de Engelse opportunisten van ‘Labour’ die hun burgerij steunden in de oorlog. En hij bekritiseerde het zogenaamde ‘centrum’ in de internationale arbeidersbeweging dat zich slechts halfslachtig tegen de oorlog verzette.

Lenin schreef: “Zowel de politiek van Kautsky als (…) Henderson hielpen hun respectieve imperialistische regeringen om de aandacht te vestigen op het kwaadaardig karakter van hun rivalen en vijanden, terwijl ze een rookgordijn opwierpen van vage, algemene frasen en sentimentele verlangens met betrekking tot het even imperialistische gedrag van ‘hun eigen’ burgerij. We houden op marxisten te zijn en zelfs socialisten in het algemeen, als we ons beperken tot de bij wijze van spreken christelijke onderwerping aan de welwillendheid van welwillende algemene frasen waarbij we het echte politieke belang ervan niet naar voor brengen.” Hij veroordeelde de kapitalisten van alle kanten: “Geen van de twee oorlogvoerende groepen van naties moet voor de andere onderdoen inzake wreedheid en oorlogsmisdaden.” (Burgerlijk pacifisme en socialistisch pacifisme, januari 1917).

Revolutionair defaitisme

In Rusland begon Lenin de ‘eigen’ heersende klasse te bekritiseren: “Het is de eerste en voornaamste taak van de Russische sociaaldemocraten om een meedogenloze en frontale strijd te voeren tegen het Groot-Russische en tsaristisch chauvinisme, en tegen de sofismen van de Russische liberalen, kadetten, een deel van de Narodniki en andere burgerlijke partijen bij de verdediging van dat chauvinisme.” Hij voegde er aan toe: “Vanuit het standpunt van de arbeidersklasse en de werkende massa’s van alle volkeren in Rusland, is de nederlaag van de tsaristische monarchie en haar leger dat Polen, Oekraïne en heel wat andere volkeren onderdrukt en de haat onder deze volkeren aanwakkert om de Groot-Russische onderdrukking van andere nationaliteiten op te voeren en de reactionaire en barbaarse regering van de tsaar te consolideren, veruit het mindere kwaad.” (De taken van de revolutionaire sociaaldemocratie in de Europese oorlog).

De laatste frase van Lenin kan gezien worden als ‘revolutionair defaitisme’. Was het correct? Indien het bedoeld was voor gebruik onder de massa’s op dat ogenblik – wat niet de bedoeling van Lenin was – is het antwoord vanuit een marxistisch perspectief neen. Dit was geen slogan om de massa’s over te winnen, het was daar ook niet toe bedoeld.

In zijn autobiografie ‘Mijn Leven’ gaf Trotski een indicatie van de sfeer op het begin van de Eerste Wereldoorlog. Hij beschreef hoe het begin van de oorlog in Wenen werd gevierd. Er was een grote menigte die in feestelijke stemming was en zich totaal niet realiseerde welk bloedbad er zou volgen. De verklaring hiervoor lag in de schijnbare verstoring van de saaie dagelijkse routine van het kapitalisme. De komst van de oorlog zou alles doen veranderen en het leven van de werkenden omgooien. Die werkenden hadden er geen idee van dat ze met zoveel zouden afgeslacht worden. Er waren gelijkaardige uitbarstingen van feestvreugde in Berlijn, Londen, Parijs en elders. De sfeer veranderde snel toen de lijken en de gewonden van het front terug kwamen.

Trotski gaf met zijn beschrijving van de vooravond van de Eerste Wereldoorlog een beeld van de omstandigheden waarin Lenin het idee van het ‘revolutionaire defaitisme’ voor het eerst naar voor bracht. In zijn laatste brieven stelde Trotski: “In de laatste oorlog werd niet alleen de arbeidersklasse als geheel verrast, maar ook de voorhoede en in zekere zin de voorhoede van deze voorhoede. De uitwerking van de principes van een revolutionair programma tegenover de oorlog begon toen de oorlog al volop bezig was en de militaire machine onbegrensde macht uitoefende. Een jaar na het uitbreken van de oorlog was de kleine revolutionaire minderheid nog steeds verplicht om zich aan te passen aan de centristische meerderheid op de conferentie van Zimmerwald. Voor de Februarirevolutie en zelfs nadien zagen de revolutionaire elementen zich niet als mededingers voor de macht maar als een radicale linkse oppositie. Zelfs Lenin verwees de socialistische revolutie naar een min of meer verre toekomst. (In 1915 of 1916) schreef hij in Zwitserland: ‘Wij, de oudere mannen, zullen misschien niet lang genoeg leven om de beslissende strijd van de revolutie mee te maken’.” (Bonapartisme, fascisme en oorlog, augustus 1940).

Het verraad en de ineenstorting van de Tweede Internationale was een zware slag voor de meest ontwikkelde arbeiders, waaronder Lenin en de Bolsjewieken. Toen Lenin in Zwitserland de krant van de Duitse SPD kreeg waarin stond dat ze voor de oorlogskredieten hadden gestemd, weigerde hij dit eerst te geloven. Lenin dacht dat het een vervalste krant was die door het Duitse leger was opgemaakt. Dit ongeloof was slechts een uitdrukking van het isolement van de vooruitgeschoven revolutionaire krachten op dat ogenblik. Een oproep naar de massa’s rond de oorlog en rond de taken voor de toekomst zou een andere benadering vergen. Aanvankelijk was het evenwel nodig om de kwestie van de oorlog en de houding van revolutionairen tegenover de oorlog uit te klaren.

Het was in deze context dat enkele scherpe formuleringen van Lenin, zoals over het ‘revolutionaire defaitisme’, werden gebruikt om een scherpe scheidingslijn aan te geven tussen de oprecht revolutionaire krachten en diegenen die het socialisme hadden verraden. Dit was echter geen agitatorische slogan of een programma gericht op de brede massa’s. Trotski omschreef de kwestie duidelijk: “De aandacht van de revolutionaire vleugel is gericht op de kwestie van de verdediging van het kapitalistische vaderland. De revolutionairen beantwoordden deze kwestie natuurlijk negatief. Dat was volkomen correct. Maar het puur negatieve antwoord diende voor de propaganda en voor het opleiden van kaders, niet voor het winnen van de massa’s die geen buitenlandse overheerser wilden.”

Hij voegde eraan toe: “De Bolsjewieken wonnen op een periode van acht maanden de overweldigende meerderheid van de arbeiders. Het beslissende element daarbij was niet de weigering om het burgerlijke vaderland te verdedigen, maar wel de slogan: ‘Alle macht aan de sovjets’. En alleen deze revolutionaire slogan! De kritiek op het imperialisme, het militarisme en de verwerping van de verdediging van de burgerlijke democratie had nooit de overweldigende meerderheid van de bevolking aan de kant van de Bolsjewieken kunnen winnen.” (Eens te meer over fascisme, augustus 1940).

Doorheen het grootste deel van de Eerste Wereldoorlog hield Lenin zich bezig met de algemene theoretische vragen: over het karakter van de oorlog, het verraad van de Tweede Internationale en de oproep voor een nieuwe Derde Internationale, alsook over het lot van de arbeidersklasse. De Bolsjewieken benadrukten de taak om het sociaal chauvinisme en het opportunisme binnen het ‘officiële’ socialisme aan te klagen. Ze maakten deel uit van een internationale stroming – met Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht in Duitsland – die een zelfde benadering volgde. De formule van Liebknecht – “de belangrijkste vijand bevindt zich in eigen land” – was een betere benadering voor de massamobilisatie van de arbeidersklasse.

Lenin voerde zijn eigen ‘oorlog’ tegen iedere toegeving aan het sociaal patriottisme. Hij zette dit ook na de Russische revolutie van februari 1917 verder met een meedogenloze kritiek vanuit het buitenland op Bolsjewieken als Stalin en Kamenev die steun gaven aan de voorlopige regering die de oorlog verderzette. Deze theoretische strijd tegen de oorlog was absoluut noodzakelijk voor de meest ontwikkelde lagen van de arbeidersklasse. Het volstond niet om de massa’s over te winnen in de daaropvolgende ontwikkeling van revolutie.

Snel veranderend bewustzijn

Lenin was zich daar in zijn geschriften bewust van. Zo schreef hij in mei 1917 over de standpunten van een gewone arbeider: “Wij willen geen oorlog om over andere volken te heersen, wij strijden voor onze vrijheid. Dat zeggen alle arbeiders en boeren en zij brengen daarmee de mening van de arbeider (…) zoals deze de oorlog begrijpt. Zij zeggen daarmede: Als het een oorlog zou zijn in het belang van de werkers tegen de uitbuiters, dan waren wij voor de oorlog. Ook wij zouden dan voor de oorlog zijn en er is geen revolutionaire partij die tegen zulk een oorlog zou kunnen zijn. (…) Wij soldaten, wij arbeiders, wij boeren voeren oorlog voor onze vrijheid. Ik zal nooit de vraag vergeten die mij na een vergadering door een arbeider gesteld werd: ‘Wat praat u voortdurend tegen de kapitalisten? Ben ik soms een kapitalist? Wij zijn arbeiders, wij verdedigen onze vrijheid.’”

Lenin antwoordde hem: “Dat is niet waar, jullie voeren oorlog omdat jullie je regering van kapitalisten gehoorzaamt, de oorlog voeren niet de volken, maar de regeringen. Het verwondert mij niet wanneer een arbeider of een boer (…) naïef vraagt: Wat heb ik met de kapitalisten te maken wanneer ik oorlog voer? Hij begrijpt de samenhang van de oorlog met de regering niet, hij begrijpt niet dat de oorlog door de regering wordt gevoerd, terwijl hij het werktuig is dat door de regering gebruikt wordt.” (Oorlog en Revolutie, mei 1917)

Hieruit blijkt de enorme gevoeligheid van Lenin voor het standpunt van de massa’s, hun bewustzijn en hoe ze op ieder ogenblik op een voorzichtige overgangswijze kunnen benaderd worden. Het was natuurlijk nodig om op ieder ogenblik het klassenkarakter van de oorlog aan te tonen. Maar dat volstond niet. Het was noodzakelijk om verder te gaan en overgangseisen te ontwikkelen en daarvoor op te komen om het bewustzijn te ontwikkelen. Bovendien was het nodig om de oorlog te verbinden met de rampzalige economische en sociale situatie waarmee de massa’s werden geconfronteerd, het idee dat de macht werd genomen door de sovjets en daaraan gekoppeld een regering die zou overgaan tot het invoeren van “land aan de boeren, vrede en vrijheid.”

Dit was alleszins geen onaanvaardbare opportunistische toegeving aan het ‘verdedigen’ van het kapitalistische ‘vaderland’. Zelfs tijdens de oorlog erkende Lenin expliciet dat de arbeidersklasse in de toekomst “onvermijdelijk omstandigheden zou kennen waarbij de klassenstrijd in een bepaalde natie kan ingaan tegen oorlog tussen verschillende naties, een oorlog die net door deze klassenstrijd bepaald werd.” Revolutionaire oorlogen door revolutionaire klassen kunnen niet uitgesloten worden. Lenin gaf als voorbeeld de oorlogen van de grote Franse revolutie van 1792 toen “Frankrijk een revolutie doorvoerde en toen verplicht was om een revolutionaire oorlog te voeren tegen een verenigd monarchistisch Europa.”

Terwijl hij een ‘revolutionaire verdedigingspositie’ voor een ‘onbepaalde toekomst’ erkende, ging Lenin meedogenloos in tegen diegenen die na de Februarirevolutie de voorlopige regering steunden, ook in de Bolsjewistische partij zelf, en dus voor een machtsdeling van de arbeiderspartijen in coalities met burgerlijke partijen. Dit was na de Februarirevolutie het standpunt van Lenin omdat de revolutie nog niet vervolledigd was. De gevolgen waren een verderzetting van de oorlog en de verdediging van de kapitalistische eigendomsverhoudingen. Dit was echter niet hetzelfde als het herhalen van propaganda tegen de oorlog. De Bolsjewieken pasten hun benadering, programma en slogans aan de situatie en het snel veranderende bewustzijn aan.

In zijn artikel ‘Oorlog en Revolutie’ is Lenin zich bewust van de massale roep naar vrede en de angst voor een ‘buitenlandse invasie’. Hij schreef: “Men dicht ons de absurde mening toe dat wij een afzonderlijke vrede willen. De Duitse kapitalisten en rovers doen pogingen om tot vrede te komen door te verklaren: Ik geef je een stuk van Turkije en Armenië wanneer jij me ertshoudende grond geeft. (…) Welk een onzin dat wij voor het beëindigen van de oorlog zouden zijn door een afzonderlijke vrede! De oorlog die de kapitalisten van de rijkste mogendheden voeren (…) te willen beëindigen door een eenzijdig afzien van oorlogshandelingen is zulk een dwaasheid, dat het eigenlijk te belachelijk is om ze te weerleggen. (…) De oorlog die de kapitalisten van alle landen voeren kan men niet zonder arbeidersrevolutie tegen deze kapitalisten beëindigen.”

Hij voegde eraan toe: “Wanneer de sovjet van arbeiders- en soldatenafgevaardigden de macht zou overnemen en de Duitsers de oorlog voortzetten, wat zouden wij dan doen? (…)  Wanneer de revolutionaire klasse van Rusland, de arbeidersklasse aan de macht zal zijn moet zij de vrede aanbieden. (…) Wij stellen niet voor zomaar ineens een eind aan de oorlog te maken. Dat beloven wij niet. (…) Het zal niet gemakkelijk vallen uit deze ontzettende oorlog te komen. Drie jaar voert men oorlog. Men zal tien jaar oorlog moeten voeren of wel: men mag voor een moeilijke, harde revolutie niet terugschrikken. Een andere uitweg is er niet. Wij zeggen: aan de door de regeringen van de kapitalisten begonnen oorlog kan alleen maar door de arbeidersrevolutie een eind worden gemaakt.”

Overgangsmethode

Tegelijk verbonden Lenin en de Bolsjewieken de oorlog met de dagelijkse omstandigheden van de massa’s. “De dreigende catastrofe en hoe die te bestrijden” (oktober 1917) was in feite een overgangsprogramma waarop Trotski zich baseerde toen hij zijn eigen bekende manifest voor de Vierde Internationale opmaakte in 1938. Lening bracht een reeks eisen naar voor: nationalisatie van de banken, voor arbeiderscontrole, het openen van de boekhouding voor inspectie door comités van arbeiders en boeren, afschaffing van zakengeheimen,…

In “Oorlog en revolutie” ging Lenin in op de kwestie van de belastingen voor de kapitalisten. Hij bekritiseert Matvey Skobelev, een mensjewiek die deel uitmaakte van de voorlopige regering, met een schijnbaar ‘gematigde’ positie. Lenin schreef: “Wanneer Skobeljew in zijn rede verklaarde: Wij zullen de gehele winst nemen, 100 % zullen wij nemen, dan heeft hij meer gezegd dan hij kan verantwoorden, zoals ministers dat plegen te doen. Wanneer u de ‘Retsj’ ter hand neemt, zult u zien hoe op deze verklaring in Skobeljews rede gereageerd wordt. Daar staat geschreven: ‘Maar dat is honger, dood, 100 % – dat betekent alles!’ (…) [De Bolsjewieken] zijn nooit zover gegaan. Wij hebben nooit voorgesteld 100 % van de winst te nemen. (…) Neemt u de resolutie van onze partij en u zult zien dat wij daarin in een uitvoeriger vorm en met redenen omkleed hetzelfde voorstellen wat ik heb voorgesteld. Er moet controle over de banken worden ingevoerd en vervolgens een rechtvaardige inkomstenbelasting. En dat is alles!”

Lenin pleitte hier niet voor een volledige confiscatie maar voor een ‘eerlijke belasting’ op de kapitalisten. Hij verbond dit evenwel meteen met de noodzaak van arbeiderscontrole, wat gezien werd als een opleiding voor arbeiders om geleidelijk te leren hoe ze de fabrieken kunnen beheren om uiteindelijk de volledige samenleving te beheren. Maar hij gebruikte deze methode ook met betrekking tot de oorlog. “Het verdedigingspotentieel, de militaire macht van een land met genationaliseerde banken is groter dan die van een land, waar de banken in particuliere handen blijven. De militaire macht van een agrarisch land, waar de grond zich in handen van boerencomités bevindt, is groter dan die van een land waar de grond het eigendom is van landheren.”

En nog: “Het voorbeeld van Frankrijk leert ons slechts één ding: om Rusland in staat te stellen zich te verdedigen, om ook in Rusland ‘wonderen’ van heldendom van de massa’s te bereiken, moet men met een ‘jakobijnse’ meedogenloosheid al het oude wegvagen en Rusland economisch vernieuwen en omvormen. Dat kan in de 20ste eeuw echter niet geschieden door het uit de weg ruimen van het tsarisme alleen (Frankrijk heeft zich 125 jaar geleden al niet daartoe beperkt). Dat kan zelfs niet teweeggebracht worden door het langs revolutionaire weg afschaffen van het grootgrondbezit alleen (zelfs dat hebben we niet gedaan, want de sociaal-revolutionairen en mensjewieken hebben de boeren verraden!), door het overdragen van de grond aan de boeren alleen. Want we leven in de 20ste eeuw; de heerschappij over de grond zonder de heerschappij over de banken is niet voldoende om het leven van het volk te kunnen omvormen en vernieuwen.” (De dreigende catastrofe en hoe die te bestrijden).

Revolutionair programma

Dit is een model van hoe op elk ogenblik het niveau van bewustzijn van de massa’s in aanmerking moet genomen worden om het vooruit te brengen en tot nieuwe hoogtes op te werpen. Lenin en de Bolsjewieken verzetten zich tegen de oorlog, maar erkenden wel dat het een feit was. In een toespraak voor de afgevaardigden van de Bolsjewistische fractie van de Sovjets verklaarde hij: “De massa’s benaderen deze kwestie niet vanuit een theoretisch maar vanuit een praktisch standpunt. Onze fout ligt in onze theoretische benadering. Een klassenbewuste arbeider kan steun geven aan een revolutionaire oorlog (…) Voor de vertegenwoordigers van de soldaten moet de kwestie op een praktische wijze naar voor gebracht worden, zoniet komt er niets van. We zijn helemaal geen pacifisten (…) De kapitalistische klasse die verbonden is met de banken kan geen andere oorlog voeren dan een imperialistische. De arbeidersklasse kan dat wel.” (Verzamelde Werken, volume 36, vrije vertaling). Dat is een revolutionaire, realistische inschatting, die de sectairen vreemd is.

In ‘De dreigende catastrofe’ schreef Lenin: “Alle door ons geschetste maatregelen ter bestrijding van de catastrofe zouden, zoals wij al hebben opgemerkt, het verdedigingspotentieel of, anders gezegd, de militaire macht van het land buitengewoon versterken. Dit aan de ene kant. Maar aan de andere kant kan men deze maatregelen niet in de praktijk brengen zonder de veroveringsoorlog om te zetten in een rechtvaardige oorlog, zonder de oorlog, die de kapitalisten in het belang van de kapitalisten voeren, om te zetten in een oorlog die de arbeidersklasse in het belang van alle werkende en uitgebuite mensen voert.”

Het buitenlandse beleid is een verderzetting van het binnenlandse beleid – Lenin maakte dit punt op een krachtige wijze. Hij benadrukte dat het onmogelijk was om Rusland te verdedigen zonder grote opofferingen en heldhaftigheid vanwege de bevolking. Maar hij verbond dit met de noodzaak van fundamentele sociale verandering. “Men kan onder de massa’s geen heldendom opwekken zonder met het imperialisme te breken, zonder alle volken een democratische vrede aan te bieden, zonder op die manier de roofzuchtige, misdadige veroveringsoorlog te veranderen in een rechtvaardige, revolutionaire verdedigingsoorlog.” Sommigen zullen misschien stellen dat dit allemaal goed en wel was omdat Lenin het had over een toekomstige arbeidersstaat. Maar dat klopt niet. “De dreigende catastrofe” was een programma van voor de Oktoberrevolutie, een programma dat enkel door de revolutie zelf in de praktijk kon omgezet worden. Trotski en zijn aanhangers baseerden zich op wat Lenin schreef toen ze een “militair programma” vanuit de arbeidersklasse naar voor brachten in de Tweede Wereldoorlog.

Dit thema is niet alleen van historisch belang. Een analyse van de benadering van Lenin tegenover de Eerste Wereldoorlog in al zijn verschillende fasen helpt uit te leggen hoe de Bolsjewieken aan de macht kwamen. Dat werd bereikt door een goed uitgewerkte strategie en tactieken, niet door het constant herhalen van abstracte propaganda. Propaganda is absoluut noodzakelijk om de nieuwe generatie van arbeiders en jongeren op te leiden in de fundamenten van het marxisme en het socialisme. Dat volstaat echter niet om een massaal publiek te bereiken. Iets waar Militant, de voorloper van de Socialist Party, als enige van de ‘marxistische’ groepen in Groot-Brittannië toe in staat was met de monumentale strijd in Liverpool tussen 1983-87 en in de strijd tegen de Poll Tax. Zonder de benadering van Lenin tegenover de complexe vragen die door de Eerste Wereldoorlog en de meesterlijke toepassing door Lenin en Trotski van een revolutionaire dialectische methode, zou dit niet mogelijk geweest zijn.

We staan op de schouders van Lenin en Trotski, de arbeiders en jongeren vandaag moeten hun methode opnemen in de voorbereiding op de grote gebeurtenissen die voor ons staan. Een oorlog op de schaal van de Eerste en de Tweede Wereldoorlog staat niet op de agenda, niet in het minst omdat het zou leiden tot ‘wederzijdse verzekerde vernietiging’ van de volledige mensheid, waaronder de kapitalisten zelf. Maar het sluit brutale en barbaarse regionale oorlogen niet uit, zoals we al zien met de huidige catastrofe in Irak en Syrië. Bovendien zijn botsingen tussen verschillende kapitalistische machten en blokken mogelijk – kijk maar naar de huidige confrontaties in Oekraïne, de spanningen tussen China en zijn rivalen in Azië,… Enkel een socialistische wereld kan voor eens en voor altijd een einde maken aan de horror van oorlog. De geschriften van Lenin tijdens de Eerste Wereldoorlog bereiden ons op die taak voor.