Marxisme en ecologie

marxisme-en-ecologie

Ten onrechte wordt vaak gezegd dat het marxisme niet bezorgd is om het milieu of nog dat marxisten enkel kijken naar economische groei als antwoord op armoede en behoeften. Dit is niet correct. Op basis van de werken van Marx en Engels, maar ook de ervaring van de eerste jaren van de Russische revolutie, brengt Per-Ake Westerlund een antwoord op deze vooroordelen.

Er zijn twee beschuldigingen over het marxisme en ecologie die vaak terugkomen, zowel van de politieke rechterzijde als sommige groene activisten en delen van de linkerzijde. De eerste is dat Karl Marx een erg positieve kijk had op industrialisering en de natuur zag als een onbeperkte bron die kon gebruikt worden. De tweede is dat het marxisme verantwoordelijk is voor enkele van de ergste milieurampen ooit, namelijk die in de Sovjet-Unie.

In tegenstelling tot deze beschuldigingen, is bewustzijn rond en strijd voor het milieu niet nieuw voor marxisten. Marx was een pionier in het analyseren en bekritiseren van de vernietigende effecten van de kapitalistische industrialisering op zowel de natuur als de samenleving. Zowel Marx als Engels, de auteurs van het Communistisch Manifest in 1848, bestudeerden en volgden de wetenschap op tal van domeinen.

De kapitalistische industriële productie en de arbeidersklasse ontstonden pas in de decennia voor Marx en Engels hun analyses ontwikkelden, maar de rol ervan werd meteen begrepen door Marx die in de arbeid een sleutelelement tot ontwikkeling van de samenleving zag. De nadruk op het belang van de arbeidersklasse betekent echter niet dat het milieu genegeerd werd.

Marx zag arbeid als een proces waaraan zowel mens als natuur deelnemen. Dit benadrukte hij in zijn ‘Kritiek op het programma van Gotha’ – het programma dat door het eerste congres van de Duitse Sociaaldemocratische Partij (SPD) in 1875 werd aangenomen. Marx gaat in op de stelling in dit programma dat “arbeid de bron van alle rijkdom en cultuur” is. “Arbeid is niet de bron van alle rijkdom. De natuur is in evenwaardige mate een bron van gebruikswaarden (die immers evengoed de materiële rijkdom uitmaken!) als de arbeid, die zelf slechts één der natuurkrachten manifesteert: de menselijke arbeidskracht”, stelde Marx. Het verkeerde idee van arbeid als enige bron van rijkdom kwam van Ferdinand Lassalle, niet van Marx.

Marx waarschuwde voor de gevolgen van een verstoorde relatie tussen mensheid en natuur. Hij zag de vervreemding van werkenden in het kapitalistische productieproces als onderdeel van hetzelfde proces van vervreemding van de mens tegenover de natuur. Dit was in zijn tijd vooral duidelijk in de industrialisering van de landbouw.

De arbeidersklasse was en is de eerste die de gevolgen van het kapitalisme op het milieu ondergaat. Zo vormen energiebedrijven – olie, steenkool, kernenergie – een directe bedreiging voor de werkenden in deze sectoren, maar ook voor de mensen en het leefmilieu in volledige regio’s en landen. Werkenden in deze sectoren zijn zich vaak het meeste bewust van de gevaren. De strijd om de arbeidsomstandigheden te verbeteren, is een belangrijk onderdeel van de ecologische strijd.

De marxistische filosofie, het dialectisch materialisme, biedt bovendien een methode van analyseren waarmee de huidige klimaatcrisis kan verklaard worden. Marx en Engels toonden in het midden van de 19de eeuw reeds aan dat de samenleving en de natuur zich ontwikkelen doorheen tegenstellingen die tot kwalitatieve sprongen leiden. Klimaatonderzoekers bevestigen dit als ze waarschuwen voor keerpunten, ogenblikken waarop klimaatveranderingen onomkeerbaar worden.

Veel van diegenen die Marx ervan beschuldigen dat hij de natuur negeerde in zijn werk, hebben zelf de werken van Marx genegeerd en zich gebaseerd op de zelfverklaarde ‘volgelingen’ van Marx in de sociaaldemocratie of onder het stalinisme. De samenlevingen die zij opbouwden en die als socialisme omschreven werden, staan helemaal haaks op wat Marx stelde over arbeidersdemocratie, de rol van de staat, maar ook op de omgang met het milieu. Marx voorspelde dat: “De natuurwetenschappen… de basis van de menselijke wetenschap worden, evenals zij reeds nu de basis van het werkelijke menselijke leven geworden zijn.” (Economische en Filosofische manuscripten, 1844)

Marx over de natuur

Om de marxistische benadering van ecologie en milieu te begrijpen, is een algemeen begrip van de marxistische methode nodig. Marx keek steeds naar de wereld en zijn geschiedenis in zijn totaliteit als vertrekpunt voor zijn analyses en programma. Het feit dat Marx het kapitalisme zag als een historisch progressief systeem werd door velen misbegrepen of verkeerd weergegeven. Zo schreef Michael Löwy van het Verenigd Secretariaat van de Vierde Internationaal dat Marx “een erg onkritische houding had tegenover industriële ontwikkeling en in het bijzonder tot de vernietigende effecten ervan op de natuur.” Löwy beweert ook dat “Marx geen geïntegreerd ecologisch perspectief had.” (For a Critical Marxism, Against the Current, November-December 1997).

Eerst en vooral was het progressieve karakter dat Marx aan het kapitalisme toeschreef, tijdelijk en beperkt tot de vergelijking van het kapitalisme met het feodalisme. De belangrijkste verwezenlijking van het kapitalisme, was dat dit systeem niet alleen de basis creëerde om zichzelf te elimineren maar ook om aan de klassensamenlevingen in het algemeen een einde te maken. De arbeidersklasse die met de steun van arme boeren de macht overneemt, zou leiden tot een heerschappij door de meerderheid van de bevolking en het begin van een proces naar een totaal andere samenleving. Het perspectief van Marx werd reeds bevestigd in de Parijse Commune van 1871 toen de arbeiders twee maanden de macht in handen hadden.

Een begrip van de rol van het kapitalisme is niet hetzelfde als dat systeem verdedigen. Meer dan wie ook begreep Marx dat het kapitalisme een systeem was gericht op het produceren van winst doorheen meerarbeid. Wetenschap en natuurkrachten werden aangepast om dit doel te dienen. De gezondheid van werkenden werd genegeerd, net zoals de effecten van de productie op de natuur. Marx waarschuwde voor de pogingen om de natuur aan te passen aan wat het kapitalisme nodig had. Sommigen stellen dat Marx de natuur zag als iets oneindig dat gratis ter beschikking stond. Maar hij stelde net dat de natuur onder het kapitalisme geen waarde had. De conclusie van Marx was dat de niet uitgebuite natuur wel degelijk waarde had, denk maar aan de lucht, de bossen en vissen.

Marx bestudeerde vooral het niet-mechanisme materialisme van Epicurus (341-270 BCE) en de dialectiek van GWF Hegel (1770-1831), hij ontwikkelde zijn filosofie van het dialectisch materialisme. Het was een briljante visie op de wereld die perfect in die periode paste. De belangrijkste gebeurtenis van die tijd, de Franse revolutie, was het resultaat van zowel de materiële basis – de kapitalistische economie en samenleving die het feodalisme verdreven – als een bewust optreden van de revolutionaire massa’s.

De ideeën van Marx waren het meest ontwikkeld onder alle filosofische strekkingen die met het religieuze verleden braken. In plaats van de aarde voor te stellen als iets wat nooit veranderde en als het centrum van alles, met de mensheid als centrum van de aarde, ziet het marxisme in overeenstemming met het klassieke materialisme de wereld als steeds veranderend en dus ook eindig. Het leven is een product van de aarde (de natuur) en niet van een god. De mensheid is een met de natuur, het staat er niet buiten. Marx deelde de geschiedenis niet op in een sociale en een natuurlijke geschiedenis, beiden waren onderling met elkaar verbonden. Dialectische wetten vinden een toepassing in zowel de natuur als de samenleving, hun ontwikkelingen spelen op elkaar in en beïnvloeden elkaar. Marx gebruikte de term ‘metabolisme’: een ketting van onderling met elkaar verbonden processen die een geheel vormen.

Marx toonde aan dat de groeiende opdeling tussen stad en platteland een breuk van dit metabolisme vormde, dit werd door John Bellamy Foster in het nuttige boek ‘Marx’s Ecology’ samengevat in de term “metabolische breuk”. In het derde deel van ‘Het Kapitaal’, gepubliceerd in 1894, na de dood van Marx (1883), omschrijft Marx het kapitalisme als een breuk met de natuurwetten van het leven: “Grote landbouwbedrijven beperken de landbouwersbevolking tot een constant dalend minimum, en ze confronteren deze met een constant groeiende industriële bevolking die in grote steden leeft. Het creëert hiermee de voorwaarden die leiden tot een onherstelbare breuk in de samenhang van sociale uitwisseling zoals voorgeschreven door de natuurwetten van het leven.”

Op basis van discussies over de degradatie van de bodem op langere termijn als gevolg van het gebruik van chemische meststoffen in de landbouw, stelde Marx dat “elke vooruitgang in kapitalistische landbouw een vooruitgang betekent in de kunst van niet alleen de werkende te beroven, maar ook de bodem: alle vooruitgang in de vruchtbaarheid van de bodem voor een bepaalde tijd, is een vooruitgang naar het vernietigen van de laatste bronnen van die vruchtbaarheid.” Hij legde uit: “Met het constant toenemend overwicht van de stedelijke bevolking, die door de kapitalistische productie in de grote centra wordt opeengehoopt, (…) vernietigt zij de stofwisseling tussen mens en aarde, dat wil zeggen de terugkeer tot de grond van de door de mensen in de vorm van voedsel en kleding verbruikte bestanddelen van de grond; hiermee vernietigt de kapitalistische productie dus de eeuwige, natuurlijke voorwaarde van duurzame vruchtbaarheid van de grond.” En nog: “De kapitalistische productie is dus alleen maar in staat de techniek en de combinatie van de maatschappelijke productieprocessen tot ontwikkeling te brengen, doordat zij gelijktijdig de bronnen van alle rijkdom ondergraaft: de grond en de arbeider.” (Kapitaal, Deel 1, 1867). In een erg vooruitziende voorspelling waarschuwde Marx dat de constante modernisering onder het kapitalisme dit “proces van vernietiging” zou versnellen.

Engels vatte de afhankelijkheid van en de nood om van de natuur te leren als volgt samen: “Bij iedere stap worden we eraan herinnerd dat de natuur zich niet laat veroveren zoals een vreemd volk dat doet, maar dat wij, als vlees, bloed en hersenen, deel uitmaken van de natuur en midden in de natuur leven waarbij onze heerschappij enkel bestaat uit het feit dat we op andere wezens het voordeel hebben dat we de lessen van de natuur kunnen leren en correct kunnen toepassen.” (‘De rol van de arbeid in de overgang van aap naar mens’, Friedrich Engels, 1876).

Marx over socialisme

Marx wordt er door sommigen ook van beschuldigd dat hij geen exact plan voor een toekomstige socialistische samenleving kon voorleggen. Deze critici denken dat zijn socialisme betekende dat de arbeidersklasse de macht zou nemen, terwijl de economie, de productie en de behandeling van het milieu in essentie hetzelfde zou blijven als onder het kapitalisme. Het klopt dat Marx en Engels van mening verschilden met de utopische socialisten die gedetailleerde plannen opmaakten voor een ideale samenleving. Maar dit betekent niet dat hun werken geen beschrijving geven van de verschillen tussen kapitalisme en socialisme.

Marx en Engels beschreven de enorme kost van de kapitalistische productie voor de werkenden, boeren, de natuur en de samenleving. Ze kwamen op voor een complete verandering van de productie, door het te vervangen met wat Marx samenwerkende productie noemde. Het anarchistische systeem van het kapitalisme zou vervangen worden door sociale controle en bezit van de productie en distributie. Dit zou vervolgens georganiseerd worden met een sociale planning.

Wat met de voorspellingen van Marx over het socialisme als een samenleving met een toegenomen productie en een overvloed aan middelen? Zou dit niet rampzalig zijn voor het milieu? Eerst en vooral moet opgemerkt worden dat er zowel in de tijd van Marx als vandaag een dringende nood is aan degelijke levensvoorwaarden voor iedereen. Dit zal leiden tot een grotere voedselproductie en investeringen in huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs en een nog grotere verspreiding van moderne technologie. In de jaren 1800 zou de productie voor dergelijke behoeften gemakkelijk mogelijk geweest zijn als vervanging van productie van wapens, luxe, … Vandaag is dat overigens nog steeds en zelfs meer het geval, er worden enorm veel middelen verspild aan militaire uitgaven en de luxeconsumptie van de 1% rijksten.

In zijn ‘Kritiek op het programma van Gotha’ bespreekt Marx de nood aan een evenwicht van middelen tussen individuele consumptie en de noodzakelijke toename van sociale consumptie, naast het opzij zetten van middelen voor investeringen en als sociale reserve. Dat omvat ook het evenwicht tussen arbeidstijd, die moet verkort worden, en vrije tijd. In zo’n samenleving zou iedereen werken en de mogelijkheid hebben om eigen talenten en vaardigheden te ontwikkelen, iedereen zou tijd hebben om deel te nemen aan het beheer van de samenleving.

Een socialistische samenleving zou breken met de vervreemding en iedereen zou zich kunnen ontwikkelen zonder de beperkingen van loonarbeid en kapitaal. Het zou leiden tot een “volledige eenheid van mens en natuur – de ware herrijzenis van de natuur – het verwezenlijkte naturalisme van de mens en het verwezenlijkte humanisme van de natuur.” (Economisch en Filosofische Manuscripten, 1844). Een socialistische revolutie zou niet alleen de arbeiders en de mensheid bevrijden, maar ook de natuur. Met sociaal bezit van de grond, zou de natuur niet langer een product gericht op winst zijn.

In het programma dat werd voorgesteld in het ‘Communistisch Manifest’ zijn er enkele eisen die belangrijk zijn voor het milieu. De eerste eis luidt als volgt: “Onteigening van het grondeigendom en aanwending van de grondrente tot staatsuitgaven.” Dit zou onder meer kunnen toegepast worden tegen gevaarlijke mijnbouwprojecten, olievelden en fracking. Het tweede deel van de eis benadrukt dat de inkomsten van de grond aan de gemeenschap moeten toekomen. De zesde eis heeft betrekking op transport: “Centralisatie van het transportwezen in handen van de staat.”

Ook de zevende eis heeft belangrijke gevolgen voor het milieu: “Vermeerdering van de nationale fabrieken, van de productiemiddelen, ontginning en verbetering van de landerijen naar een gemeenschappelijk plan.” Een gemeenschappelijk plan op basis van gemeenschappelijk bezit in plaats van privaat bezit om de grond te verzorgen en te verbeteren. Samengevat: de richting van de samenleving veranderen, waaronder de wijze waarop deze met de natuur omgaat, is een kwestie van bezit, macht en controle.

Bolsjewistische pioniers

De arbeidersklasse in Rusland en naties die door de tsaar onderdrukt werden, nam in oktober 1917 de macht over. In tegenstelling tot de laster die vandaag tegen de Bolsjewieken wordt ingebracht, zorgde dit voor revolutionaire veranderingen op alle vlakken van de samenleving. Zo was de Sovjet-Unie het eerste land dat een verbod op racisme en antisemitisme oplegde, het eerste dat het recht op abortus legaliseerde, net als echtscheidingen en homoseksualiteit. De Bolsjewieken waren onder Lenin en Trotski ook pioniers op het vlak van milieu.

Voor de revolutie was Rusland op dat vlak, net als op vele andere vlakken, een achtergebleven land. “Wetenschappers onder de dynastie van de Romanovs slaagden er niet in om ambtenaren, zakenlui of zelfs hun eigen collega’s te overtuigen van de nood aan moderne wetenschappelijke technieken om grondstoffen te beschermen zodat ze beschikbaar zouden zijn voor zowel de huidige als toekomstige generaties. De meeste projecten moesten wachten tot na de Russische revolutie omdat de tsaristische regering ze als te duur bestempelde en mogelijk ook dacht dat deze niet nodig waren.” (An Environmental History of Russia [anthology], Cambridge University Press, 2013)

Onder leiding van de Bolsjewieken kwam de arbeidersklasse aan de macht in een land dat verwoest was door de Eerste Wereldoorlog. Het land werd militair onder vuur genomen door binnenvallende legers en ex-tsaristische generaals. Maar toch nam de regering meteen maatregelen op het vlak van het milieu. Twee dagen nadat ze de macht namen, stelden de Bolsjewieken het decreet ‘Over de grond’ op, waarmee alle bossen, mineralen en water genationaliseerd werden. Een half jaar later, in mei 1918, volgde een ander decreet, ‘Over bossen’, waarin de controle op het herbossen en de bescherming van bossen werd gecentraliseerd. Bossen werden opgedeeld in twee groepen, waarbij een groep werd beschermd van exploitatie. Dit was een belangrijke kwestie, want onder het tsarisme werden veel bossen volledig gekapt. Ook het jagen werd aan regels onderworpen en was voortaan enkel mogelijk in het daarvoor voorziene seizoen. “De Russische revolutie lag verrassend genoeg ook aan de basis van moderne oceanografie en onderzoek naar inlandse visserij.” (An Environmental History).

Deze beslissingen werden genomen in turbulente tijden. “Tijdens de onrust van de burgeroorlog en het oorlogscommunisme, slaagde de Bolsjewistische regering er in om wetenschappers te ondersteunen. Het ging onder meer om wetenschappers die werkten op milieukwesties. Met deze steun konden wetenschappers hun ecologische activiteiten uitbreiden.” In 1920 was Lenin rechtstreeks betrokken bij de vestiging van het eerste natuurreservaat ter wereld dat door de overheid werd gefinancierd en enkel wetenschappelijke doeleinden had, het Il’menskii. Tegen 1924 waren er vier dergelijke natuurgebieden (zapovedniks). Er kwamen veel nieuwe onderzoeksinstellingen en Russische wetenschappers werden leidinggevende ecologisten. Aan de universiteit van Moskou kwamen er opleidingen over ecologie. De wetenschapper Vladimir Vernadski werd wereldbekend met het concept van de ‘noösfeer’: “een nieuwe vorm van biosfeer waarin de mens een actieve rol speelt in verandering gebaseerd op de erkenning door de mens van de verwevenheid van de natuur.” (An Environmental History)

De revolutie gaf aanleiding tot het ontstaan van een brede waaier aan milieu-organisaties, een ontwikkeling die aangemoedigd werd door de Bolsjewieken. Het TsBK (Centraal Bureau voor Studie van traditionele kennis) telde 70.000 leden in 2.270 afdelingen. Ook VOOP (Al-Russische organisatie voor de bescherming van de natuur) was belangrijk. De activisten en wetenschappers produceerden magazines, zoals ‘Problemen van Ecologie’ en ‘Biocenologie’. Ze hielden bijeenkomsten en organiseerden lokale groepen om de interesse in wetenschap op het platteland te versterken. Leidinggevende Bolsjewieken, waaronder Nadezhda Kroepskaia, bespraken hoe ze het milieu in steden en dorpen konden verbeteren, wat leidde tot een groen stadsmodel met meer parken en groene plaatsen.

Deze revolutionaire ideeën kwamen echter tot een abrupt einde. De sociale en politieke contrarevolutie onder het stalinisme omvatte ook een ecologische contrarevolutie. “Na de Russische revolutie kende de nieuwe ecologische wetenschap een snelle opgang tijdens de sociale onrust en de politieke experimenten van de jaren 1920. Ambtenaren, wetenschappers en ingenieurs werkten aan een ambitieus plan van elektrificatie.” Maar toen Stalin aan de macht kwam, richtte zijn zoektocht naar ‘saboteurs’ zich tegen “sommige van de meest bekwame biologen, boskundigen en specialisten inzake visserij, agronomen en ecologen.” (An Environmental History)

Stalinisme versus de natuur

Een aantal van de ergste milieurampen vond plaats onder stalinistisch bewind. Zo is er de vernietiging van het Aralmeer tussen Kazachstan en Oezbekistan, de kernramp in Tsjernobyl (Oekraïne) en de verwoesting van verschillende steden door vervuiling. Hoe was dit mogelijk en was er een verband met de Bolsjewieken en het socialisme?

Het verband bestond erin dat het regime van Stalin de Bolsjewistische partij, die de revolutie van 1917 had geleid, uitmoordde en vernietigde. Dit was mogelijk op basis van nederlagen in revoluties in alle andere landen en door de situatie in Rusland: een economisch en cultureel achtergebleven land dat bovendien verwoest was door de Eerste Wereldoorlog en de burgeroorlog.

Toen het regime van Stalin zich vestigde, had het geen andere ideologie dan ‘aan de macht blijven’. Om dit te realiseren, moest Stalin een fundamentele verworvenheid van de revolutie in stand houden, met name de genationaliseerde economie waarop de volledige stalinistische bureaucratie zich baseerde. De brutale dictatuur kon zich op deze basis valselijk voordoen als de erfgenaam van de revolutie. Maar het was geen socialisme of communisme. Stalin maakte een bocht van 180 graden over milieukwesties, net zoals hij dit op andere vlakken deed. Zijn regime gebruikte dwang om de landbouw te collectiviseren, schafte de bescherming van de zapovedniks af en herstartte projecten om volledige bossen te kappen.

De stalinistische methode tegen elke oppositie waren brutaal: “Arrestaties, ondervragingen en martelingen om valse bekentenissen en valse getuigenissen te bekomen, samen met beschuldigingen van spionage, subversie, laster tegen de Sovjet-Unie, kwamen vaak voor bij wie zich tegen stalinistische programma’s leek te verzetten.” VOOP en TsBK werden volledig weggezuiverd. De dictatuur maakte “onafhankelijke en redelijke activiteiten bijna onmogelijk.” (An Environmental History).

Alle onafhankelijke organisaties van werkenden en activisten werden verboden en dit opende de weg voor nieuwe milieuvernietiging. Voorheen uitstekende regelgevingen en wetten werden nooit volledig toegepast. Vervuiling en wanbeheer namen het over. De wetenschap verloor de nodige vrijheid van ideeën. Trotski maakte in de jaren 1930 het punt dat een geplande economie arbeidersdemocratie nodig heeft zoals een lichaam zuurstof nodig heeft, anders is er degeneratie en komt de geplande economie aan zijn einde. Trotski leidde een oppositie tegen Stalin en kwam op voor een politieke revolutie tegen het regime. Dat is hoe marxisten tegenover het stalinisme staan, ook op vlak van milieu.

Het parasiterende regime van Stalin gebruikte massale arbeidskampen met politieke gevangenen om zo een snelle industriële groei mogelijk te maken. Het kamp in Vorkoeta, waar veel trotskisten gevangen zaten, werd in 1932 opgezet om steenkool te ontginnen boven de Noordpoolcirkel. Miljoenen gevangenen werden onder het toeziend oog van de geheime politie (NKVD) ingezet als slavenarbeiders in de bouw, mijnbouw en houtproductie. De meeste grote projecten onder het stalinisme kwamen er na centrale orders, zonder verschillende geografische omstandigheden in rekenschap te brengen.

Na de Tweede Wereldoorlog richtte het stalinisme zijn aandacht niet op de enorme verwoestingen en zelfs hongersnood. Neen, de grootheidswaanzin bracht Stalin tot een grandioos ‘plan voor de omvorming van de natuur’. Het omvatte onder meer het verleggen van rivieren en het herorganiseren van bossen die industriële zones werden. De ideoloog achter het plan, Trofim Lysenko, was een charlatan die beweerde dat hij technieken voor het aanplanten van bossen had uitgevonden, maar het leidde tot verwoesting van bossen. Onder het stalinisme en Lysenko had de natuur geen waarde op zich.

Het stalinisme bleef als systeem ook na de dood van Stalin in 1953 bestaan. Enkele jaren later werd de kernramp in Kyshtym, in de Oeral, geheim gehouden door het regime dat ondertussen geleid werd door Chroetsjov. Vervuiling, grote projecten en een totaal verbod op milieu-activisme bleven allemaal bestaan.

De kapitalistische kritieken op het stalinisme – die meestal stalinisme en socialisme door elkaar halen om socialisme te discrediteren – hebben echter zelf weinig redenen om trots te zijn. “De westerse democratieën volgden op heeel wat vlakken hetzelfde pad van snelle ontwikkeling en uitputtend gebruik van natuurlijke rijkdommen, van vernietigde ecosystemen en laattijdige regels en wetten om toekomstige problemen te beperken. (…) In de jaren 1990 stelden veel waarnemers dat het ontmantelen van de centraal geplande economie automatisch zou leiden tot verbetering op milieuvlak. De werkelijkheid zag er echter compleet anders uit. Er waren nieuwe bedreigingen voor de duurzaamheid, onder meer door snelle uitverkoop van natuurlijke grondstoffen en een herstructurering van de economie waarbij middelen voor milieubescherming drastisch beperkt werden, zo was er de beslissing van president Poetin in 2000 om het Russische Agentschap voor Milieubescherming op te heffen.” (An Environmental History)

Marxisme vandaag

Het klimaat en het milieu worden vandaag door een groeiend aantal activisten opgenomen. Wereldwijd is er heel wat strijd tegen grote oliebedrijven, fracking, gevaarlijk industrieel afval, nieuwe speculatieve autowegen en mijnbouwprojecten, … maar ook tegen de lege beloften van de politici. Marxisten zijn deel van deze strijd: van het protest tegen het boorplatform van Shell in Seattle tot de strijd die de Oost-West tunnel in Melbourne heeft gestopt of nog de massale lokale bewegingen tegen goudmijnen in Griekenland en tegen fracking in Ierland.

Het antikapitalisme kent een groeiende steun onder klimaatactivisten. Het boek van Naomi Klein – “No Time. Verander nu, voor het klimaat alles verandert” – heeft in de Engelstalige versie als ondertitel: “Kapitalisme versus het klimaat”. Ze schrijft hoe rechtse figuren uit de omgeving van de Tea Party stellen dat klimaatverandering een uitvinding van ‘communisten’ is om een geplande economie in te voeren. Op een verwrongen manier begrijpen ze dat het kapitalisme niet in staat is om deze crisis het hoofd te bieden. Het systeem is, in de woorden van Klein, in oorlog met het leven op aarde, waaronder het menselijke leven.

De wereld is natuurlijk sterk veranderd sinds de tijd van Marx en Engels. Marx zou vandaag ongetwijfeld aandachtig de rapporten van milieuactivisten en wetenschappers volgen. De breuk in de onderling met elkaar verweven functies van de aarde waar Marx op wees, is veel groter geworden en dit proces wint nog aan snelheid. Marxisten kunnen een oplossing aanbieden. De groeiende sociale en ecologische crisissen zijn veroorzaakt door hetzelfde systeem, het kapitalisme. De strijd ertegen is dan ook onderling verbonden.

Oliebedrijven en hun bondgenoten zullen hun macht nooit vrijwillig opgeven. De enige kracht die de milieucrisis kan oplossen is de sterkste collectieve kracht, de arbeidersklasse die een alliantie vormt met het groeiende aantal activisten dat opkomt voor het milieu, waaronder ook veel mensen van inheemse afkomst en kleine landbouwers en plattelandsbevolkingen. Crisis en strijd kennen een opgang, er is nood aan een sociale revolutie om een einde te maken aan het kapitalisme.

De crisis van het milieu en het klimaat is heel ver ontwikkeld, het benadrukt de nood aan dringende actie. Het enige reële alternatief is een democratische en duurzame rationele planning van de grondstoffen en middelen in de wereld. Een democratisch socialistische samenleving zou de levensstandaard voor de meerderheid van de bevolking optrekken, daarbij zou het de natuur en de mensheid zien als één onderling verweven geheel.