Hield Trotski een “levendig pleidooi voor terrorisme”?

dm-trotskiDit weekend publiceerde De Morgen een uitgebreid dossier over terrorisme naar aanleiding van de uitspraken van Abou Jahjah na een aanslag in Israël. In dit dossier beweert de krant dat Leon Trotski in zijn werk ‘Terrorism and communism’ een levendig pleidooi hield “voor het gebruik van terrorisme om een nieuwe politieke orde te vestigen.” Met die uitspraak wordt de verdediging van de bolsjewieken tegen hun tegenstanders die onder meer militair in het offensief gingen tegen de prille Sovjetstaat bewust op gelijke hoogte geplaatst met wat vandaag onder terrorisme wordt begrepen. Meteen kan het als opstap gebruikt worden om de misdaden van het stalinisme aan het marxisme toe te schrijven.

Leon Trotski schreef in 1909 klaar en duidelijk wat marxisten denken over individueel terrorisme: “Onze klassenvijanden maken er de gewoonte van om te klagen over ons terrorisme. Wat ze hiermee bedoelen is niet erg duidelijk. Ze zouden graag alle activiteiten van de arbeidersklasse, gericht tegen de belangen van hun klassenvijanden, als terrorisme betitelen. Een staking is, in hun ogen, de belangrijkste methode van terrorisme. Een stakingsdreiging, de organisatie van een poortblokkade, een economische boycot van een slavendrijvende baas, een morele boycot van een verrader uit onze eigen gelederen — dit alles en meer wordt door hen terrorisme genoemd. Als terrorisme uitgelegd wordt als willekeurig wat voor actie die de vijand angst inboezemt of geweld aandoet, dan is natuurlijk de complete klassenstrijd niets meer dan terrorisme. (…) Het moet echter gezegd worden, dat wanneer zij ons beschuldigen van terrorisme, ze — al dan niet bewust — proberen om deze term een engere, minder directe betekenis te geven. Het vermoorden van een werkgever, een dreigement om brand te stichten in een fabriek of de eigenaar te vermoorden, een gewapende moordaanslag tegen een minister — dit zijn allemaal terroristische daden in de oorspronkelijke en volledige betekenis. Echter, iedereen die een beeld heeft van het werkelijke karakter van de internationale sociaaldemocratie zou moeten weten dat zij deze vorm van terrorisme ten allen tijde op de meest onverzoenlijke manier heeft, en zal, veroordelen.” (Leon Trotski: “Waarom marxisten individuele terreur afwijzen”, 1909)

De stelling dat de vestiging van de nieuwe Sovjetstaat gebeurde op basis van geweld – ‘terrorisme’ – is evenmin nieuw. Het is één van de uitgangspunten van het ‘Zwartboek van het communisme.’ Peter Van der Biest schreef enkele jaren geleden een antwoord op de eerste hoofdstukken van dat ‘Zwartboek’ van Stéphane Courtois: “Geschiedschrijving of geschiedenisvervalsing.” Hieronder een uittreksel uit dat antwoord.

-> de volledige tekst door Peter Van der Biest kan je hier lezen

Over de eerste jaren na de Oktoberrevolutie lezen we bij Stéphane Courtois:

‘Vanaf het eerste begin hebben Lenin en zijn kameraden zich geplaatst in het kader van een meedogenloze ‘klassenoorlog’, waarbij de politieke en ideologische tegenstanders of zelfs de tegenstribbelende bevolking werden beschouwd -en behandeld- als vijanden en moesten worden uitgeroeid. De bolsjewieken hebben besloten elk, zelfs passief, verzet of elke oppositie tegen hun hegemonie wettelijk en ook lijfelijk te elimineren, niet alleen wanneer deze van groepen politieke tegenstanders kwam, maar ook van sociale groepen als zodanig -de adel, de bourgeoisie, de intelligentsia, de kerk, enzovoort en van beroepscategorieën (officieren, politiefunctionarissen)- en zij hebben hieraan soms de afmetingen van een volkerenmoord verleend. Vanaf 1920 komt de ‘dekozakisatie’ ruimschoots overeen met de definitie van volkerenmoord: een gehele bevolking met een territoriaal duidelijk afgebakende vestiging, de kozakken, werd als zodanig uitgemoord, de mannen gefusilleerd, de vrouwen, kinderen en oude mensen gedeporteerd, de dorpen met de grond gelijkgemaakt of overgedaan aan nieuwe niet-kozakkenbewoners. Lenin zag de gelijkenis tussen de kozakken en de opstandige streek van de Vendée tijdens de Franse Revolutie, en wilde hun dezelfde behandeling geven die Gracchus Babeuf, ‘de uitvinder’ van het moderne communisme, al vanaf 1795 als ‘populicide’ betitelde.’ (S. Courtois, De misdaden van het communisme, in Zwartboek van het communisme, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1997, p.22-23)

Courtois stelt dat de bolsjewieken er van bij het begin op uit waren om korte metten te maken met hun politieke tegenstanders, om het even of ze nu actief dan wel passief verzet boden tegen de nieuwe heerschappij. We zouden dan ook mogen verwachten dat hij de opsomming van de terreurdaden der bolsjewieken laat beginnen in het najaar van 1917. In plaats daarvan maakt hij een sprong van vier jaar, naar het jaar 1920, het jaar van de oorlog tegen de kozakken en het absolute hoogtepunt van de Russische burgeroorlog uit de jaren 1918-1922. In zo weinig woorden ontslaat Courtois zichzelf van een gedetailleerd onderzoek naar de onmiddellijke aanleiding en de aanvang van de Rode Terreur. Bij de argeloze lezer wordt zo de indruk gewekt dat de Sovjetregering zich onmiddellijk na de Oktoberrevolutie op al haar vijanden, gewapend of niet, heeft gestort. En dit met de intensiteit en de vastberadenheid van een voorbereide genocide.

Hoewel Lenin en Trotski zelf ontelbare keren op deze beschuldiging zijn teruggekomen, vinden we geen beter argument tegen dit opzettelijke bedrog dan de burgerlijke geschiedschrijving zelf, of althans de meer objectieve stroming erin.

E.H. Carr, tot op de dag van vandaag de meest gezaghebbende burgerlijke deskundige m.b.t. de geschiedenis van de Sovjetunie, schrijft zonder verpinken dat …

‘Door de hopeloze chaos in de eerste weken van de revolutie de nieuwe machthebbers geen tijd hadden voor voorbereide actie of zelfs voor samenhangend denken en plannen; bijna elke stap die door hen werd ondernomen, was ofwel een reactie op een nijpende noodzaak of een represaille voor één of andere actie of dreiging die tegen hen was gericht … Vele brutaliteiten en wreedheden werden begaan, zowel door revolutionairen als door hun tegenstanders. Maar geen enkele officiële executie noch d.m.v. standrecht noch d.m.v. een normaal juridisch proces werd gedurende de eerste drie maand van het regime voltrokken … De revolutionaire traditie van verzet tegen de doodstraf verzwakte pas en stortte slechts dan ineen na het uitbreken van de burgeroorlog en van openlijke opstand tegen het Sovjetregime.’ (Carr, The Bolshevik Revolution, dl.I, Pelican Books, Harmondsworth, 1969, p.161-162)

De parallel die Courtois trekt tussen de onderdrukking van de opstand der kozakken in 1920 en Robespierres reactie op de opstand in de Vendée is goed gekozen. Wie voldoende op de hoogte is van de geschiedenis van de Franse Revolutie, weet dat de Jakobijnse Conventie pas de macht greep toen de dreiging van een buitenlandse interventie door de Europese adel een werkelijkheid was geworden. Evenzeer staat vast dat het Schrikbewind van de Jakobijnen (nota bene het meest democratische stadium uit de ganse Revolutieperiode) onder meer een reactie van zelfverdediging vormde tegen de opstand in de Vendée, een achtergebleven gebied in Noord-West-Frankrijk waar adel en kerk hun macht hadden weten te bewaren.

Robespierre koesterde aanvankelijk, als aanhanger van Rousseau, dezelfde gewetensbezwaren tegen de doodstraf als de bolsjewieken. Het waren de revolutionaire noodzaak en de weinig humanitaire werkwijzen van het Ancien Régime om met afvalligen en opstandelingen af te rekenen, die de doorslag gaven in de discussie over het instellen van de Terreur. Zowel bij de bolsjewieken als bij de Jakobijnen. Zowel de Franse burgerlijke als de Russische proletarische revolutie stonden bij het begin geheel alleen tegenover de zich van de eerste klappen herstellende internationale reactie. Frankrijk werd in 1792 op vier fronten aangevallen, de Sovjetunie in 1918 door twintig vreemde legers. Het was temidden van vijandelijk geweervuur dat Leon Trotski in 1920 de volgende woorden optekende:

‘Indien onze Oktoberrevolutie een paar maand, of zelfs een paar weken, had plaatsgegrepen na de grondvesting van de arbeidersheerschappij in Duitsland, Frankrijk en Engeland, dan bestaat er niet de minste twijfel over dat onze revolutie de meest ‘vreedzame’, de minst ‘bloedige’ van alle revoluties op deze zondige aarde was geweest.(…) Maar in plaats van de laatsten bleken de Russische arbeiders de eersten. Het was juist deze omstandigheid die een wanhopig karakter verleende aan de klassen die Rusland daarvoor hadden overheerst, en het Russische proletariaat ertoe dwong, in momenten van het grootste gevaar, buitenlandse aanvallen en interne samenzweringen, zijn toevlucht te nemen tot extreme maatregelen van staatsterreur.’ (Trotski, Terrorism and Communism, New Park, New York, 1975, p.77)

De bolsjewieken namen hun beslissing om een krachtdadig revolutionair bewind in te stellen op basis van de historische ervaring van de Franse Revolutie, van de bloedige onderdrukking van de Parijse Commune in 1871, van de junidagen in 1848, van het neerslaan van de revolutie van 1905,… kortom van alle gelegenheden waaruit gebleken is dat de heersende klasse voor geen enkele wreedheid terugschrikt wanneer haar belangen in het gedrang komen. Het enige dat men Lenin en Trotski ten kwade kan duiden, is hun historisch inzicht. Bovendien kwamen de maatregelen van de bolsjewieken niet van de hemel gevallen. Ze vormden stuk voor stuk genoodzaakte reacties op de buitenlandse interventiepolitiek van de internationale reactie alsook op de binnenlandse agitatie en gewapende opstanden veroorzaakt door rivaliserende partijen die zij het onder rechtstreekse voogdij van de westerse mogendheden, van het imperialisme, zij het illusies koesterden in het feit dat de bolsjewistische regering Rusland geen stabiel regime kon bezorgen.

De kozakken waar Courtois zo’n oprecht mededogen voor toont, waren trouwens eeuwenlang de meest trouwe handlangers van de Tsaar, steeds paraat om in te hakken op iedere zelfstandige beweging van het volk. Er waren de buitengewoon extreme omstandigheden in Petrograd voor nodig om het plaatselijke garnizoen voor een keer de kant van het volk te laten kiezen tijdens de Februarirevolutie van 1917. Na de Oktoberrevolutie kozen sommigen, zoals de Koeban-kozakken, de kant van de Sovjets.(Zie: John Bradley, De Russische Revolutie, Atrium, Alphen aan den Rijn, 1989, p.119). Anderen traden in de voetsporen van hun voorouders die in 1814 de laatste restanten van de Franse Revolutie uiteensabelden, in 1830 de Poolse democratische revolutie in het bloed verzopen, in 1849 de Hongaarse republiek onder de voet liepen etc. etc.

Courtois doet niet eens de moeite om het onderscheid te maken tussen de kozakken van de eerste strekking en deze van de tweede. We mochten dan ook verwachten dat hij eenzelfde wazige belangstelling aan de dag zou leggen in verband met de overige verschrikkingen van de Russische burgeroorlog. Eens de schuld van de burgeroorlog eenzijdig bij de bolsjewieken gelegd, is het een koud kunstje om hen ook de vreselijke hongersnood uit de jaren 1918-1921, die rechtstreeks uit de oorlog voortvloeide, in de schoenen te schuiven. Beter nog: waarom niet meteen alle hongersnoden van de 20ste eeuw op de rekening van het communisme schrijven? … Uitgaande van de noodlottige gedwongen bureaucratische collectivisering onder Stalin in de jaren 1929-1933 (op de hongersnood van 1918-1921 gaat hij niet gedetailleerd in) stuit Courtois namelijk nog op een andere ‘eigenaardigheid’ van het communistische regime:

‘Het regime tracht de totaliteit van de beschikbare voedselvoorraad onder controle te krijgen en gaat dan, via een soms zeer geraffineerde rantsoenering over tot een herverdeling hiervan alleen maar op grond van de ‘verdienste’ of het ‘gebrek aan verdienste’ van de betrokkenen. Deze aanpak kan leiden tot reusachtige hongersnood. Mogen we hier in herinnering brengen dat in de periode na 1918 alleen de communistische landen dit soort hongersnood hebben gekend, wat is uitgelopen op de dood van honderdduizenden, zelfs miljoenen mensen? Nog in het laatste decennium kregen twee Afrikaanse landen die het marxisme-leninisme beleden, Ethiopië en Mozambique, te lijden onder deze moordende hongersnood.’ (Courtois, p.23-24)

Hier verheft Courtois zich tot op de ijle hoogten van het meest schaamteloze sofisme, hetwelk erin feite op neer komt dat ‘hongersnoden ten gevolge van bureaucratische planning sedert 1918 alleen maar hebben plaatsgegrepen in landen die gebruik maakten van bureaucratische planning.’

Een tautologie noemt men zo’n miskraam van de logica. Maar het is een tautologie met een heel specifiek doel. Courtois gaat uit van de rampzalige gevolgen van Stalins vijfjarenpolitiek voor de landbouw in de jaren 1929-1933; deze stelt hij, door slechts het jaar 1918 te vermelden, gelijk aan de hongersnood tijdens de Russische burgeroorlog, het onmiddellijke gevolg van de buitenlandse interventie en de contrarevolutionaire opstanden; vervolgens brengt hij de verschrikkingen van het communistische landbouwbeleid dichter bij onze tijd door de vermelding van Ethiopië en Mozambique.

Met betrekking tot laatstgenoemde landen wil ik er nog niet aan beginnen om alle schrijvers op te sommen die hebben aangetoond dat de plaatselijke hongersnoden evengoed, of zelfs nog meer, het gevolg zijn van de schuldenlast en de prijzenpolitiek der Westerse multinationals als van bureaucratisch wanbeheer. (Zie o.a. Lloyd Timberlake, Ruddy Doom, Susan George etc.). In dat geval staan de stalinistisch of semi-stalinistisch geregeerde derde wereldlanden geheel niet alleen, maar in het onthullende gezelschap van kapitalistische naties zoals Bangladesh en Nigeria in de jaren zeventig, alsook Soedan in de jaren tachtig en negentig. Met betrekking tot Angola en Mozambique is er alvast wel een vergelijking met de prille Sovjetrepubliek mogelijk: deze beide landen hebben hun economie jarenlang ontredderd gezien door een burgeroorlog dewelke op Westers aansporen was aangevat en met Westerse steun werd voortgezet.