Rattenvanger van De Standaard brengt alternatieve feiten over 1917

rattenvanger

Onder de titel “De rattenvanger van Petrograd” brengt Michel Krielaars in ‘De Standaard der Letteren’ van vrijdag enkele op zijn zachtst gezegd ‘alternatieve feiten’ over de Russische Revolutie. Het stuk is opgevat als een recensie van twee boeken, maar de inhoud lag daarvoor al vast: Lenin was een dictator, de Oktoberrevolutie was een staatsgreep en de bolsjewieken kregen financiële steun vanuit Duitsland. Als een rattenvanger probeert Krielaars zijn lezers mee te trekken in dit verhaal.

Reactie door Geert Cool

Krielaars valt met de deur in huis: “Eigenlijk is het allemaal de schuld van de Duitsers dat Lenin in november 1917 een staatsgreep pleegde en Rusland in een ongekend wrede dictatuur veranderde. Sterker nog, als de Duitse keizerlijke regering de fanatieke bolsjewiekenleider in de maanden na het uitbreken van de Februarirevolutie niet zo ruimschoots had gesteund, dan was hij misschien nooit aan de macht gekomen. Maar het lot van de geschiedenis beschikte anders, om over dom toeval nog maar te zwijgen.” Het is allemaal de schuld van de Duitsers! Geschiedschrijving wordt hier blijkbaar verward met voetbalcommentaar.

Een revolutionaire beweging die het oude regime compleet van tafel veegt met letterlijk geen enkele troepenmacht die het nog wil opnemen voor dat oude regime, is dat een ‘staatsgreep’? Indien Krielaars meent van wel, waarom was de Februarirevolutie dan een revolutie en geen staatsgreep? Sommigen zien een verschil in het feit dat er in oktober geen barricades waren en er geen bloed vloeide. Maar de Oktoberrevolutie genoot de actieve steun van de meerderheid van de werkende bevolking in de grote steden en werd passief gesteund door nog veel bredere lagen. De machtsovername zelf was een bijzonder politieke daad.

De Oktoberrevolutie was geen ‘dom toeval’, het was het resultaat van het doorprikken van de revolutionaire naïviteit die in de roes van de Februarirevolutie een tijdlang standhield. Velen dachten dat het volstond om de tsaar opzij te schuiven om een einde te maken aan de oorlog en de honger. Dit bleek niet het geval te zijn, de kapitalistische Voorlopige Regering zette het vorige beleid ook zonder tsaar verder. Er was een meer fundamentele breuk nodig. Dat is de conclusie die leidde tot de Oktoberrevolutie. Ook zonder Lenin had dit ongetwijfeld tot nieuwe uitbarstingen geleid. Dankzij de rol van onder meer Lenin was een overwinning in oktober mogelijk waardoor de contrarevolutie geen tijd kreeg om zich te organiseren om een fascistisch regime te vestigen zoals eerder werd geprobeerd door generaal Kornilov. Wat Krielaars overigens lijkt te ontgaan, is dat Lenin na de juli-dagen moest onderduiken in Finland waardoor hij pas bij het begin van de Oktoberrevolutie terug in Petrograd was. De praktische voorbereiding van de Oktoberrevolutie gebeurde in zijn afwezigheid… Door de revolutie toe te schrijven aan slechts één figuur, hoe vooruitziend en helder die ook was, begeeft Krielaars zich op wel erg glad ijs.

Krielaars meent in het boek ‘Lenin in de trein’ van Catherine Merridale het bewijs te vinden voor de Duitse steun aan Lenin en de bolsjewieken. In zijn inleiding heeft hij het zelfs over “ruimschootse steun.” Volgens Krielaars zou uit telegrammen van de spion Fürstenberg, alias Ganetsky, blijken dat Lenin gecollaboreerd had met de Duitsers. Behalve de treinreis door Duitsland, worden echter geen feiten aangebracht. Merridale merkte in ‘Lenin in de trein’ overigens op: “In plaats van om bewijzen ging het dus feitelijk louter om waarschijnlijkheden en leugens.” Wat Merridale er niet van weerhoudt om die ‘waarschijnlijkheden’ grondig uit te spitten. Zo merkt ze op dat de “bescheiden boekhouding” van de bolsjewieken aantoont dat er iets niet klopte, maar er wordt meteen meegegeven dat de bolsjewieken geen huur voor hun lokaal betaalden en dat een werkende drukpers was aangeslagen. In juni 1917 waren de inkomsten van de bolsjewieken opgelopen tot 30.000 roebel, volledig afkomstig uit ledenbijdragen. Merridale suggereert dat dit niet volstond om een dagblad op 85.000 exemplaren uit te brengen. Ze wijst erop dat alleen al de Britse contrapropaganda meer dan 500.000 roebel per maand kostte… Zonder veel succes overigens. Een spion zou Lenin voor zijn vertrek met de beruchte trein 2.000 roebel toegestopt hebben en Lenin zou dit aanvaard hebben. Dat zou moeten bewijzen dat Lenin collaboreerde met de Duitsers, maar ook met dat bedrag zitten we nog ver van de bedragen die aan contrapropaganda werden besteed.

Er waren effectief pogingen van onder meer Parvus om Duits geld naar de bolsjewieken door te sluizen. In hun biografie van Parvus merken Scharlau en Zeman echter op dat er van samenwerking geen sprake was en dat Lenin steevast Duitse steun afwees. Parvus stuurde begin 1915 geld van de Oostenrijkse veiligheidsdiensten naar de radicale Russische kringen, maar zodra die beseften van waar het geld kwam, verwierpen ze het. Ook toen zowel Parvus als Lenin in Zwitserland verbleven, hield Lenin zich ver weg van Parvus. Wellicht was er na mei 1915 zelfs geen fysieke ontmoeting meer tussen beide mannen. In 1918 kreeg Parvus geen toelating om naar Rusland terug te keren.

Merridale en Krielaars herhalen de bewering dat er via Ganetsky’s verdachte wapenhandel en smokkel Duits geld naar de bolsjewieken ging. Deze beschuldiging werd voor het eerst geuit door de Voorlopige Regering van Kerenski in juli 1917. Trotski schrijft in zijn ‘Geschiedenis van de Russische Revolutie’: “Deze verklaringen hadden betrekking op handelstransacties van Ganetsky en Koslovski tussen Petrograd en Stockholm. Deze zaken in oorlogstijd, waarbij men zich vermoedelijk van een code bediende bij de correspondentie, hadden met politiek niets te maken. De bolsjewistische partij had met deze zaken niets uit te staan. Lenin en Trotski hadden Parvus, die goede zaken wist te verenigen met een slechte politiek, openlijk ontmaskerd en de Russische revolutionairen ertoe opgeroepen alle banden met hem te verbreken.” De bron die de bolsjewieken met deze zaakjes in verband bracht, was volgens de chef van de contraspionage van de Voorlopige Regering “iemand die absoluut niet te vertrouwen was,” iemand van “het type van een obscure scharrelaar die voor niets terugdeinsde.” Maar alle middelen waren goed om de reputatie van Lenin en de bolsjewieken te besmeuren. En blijkbaar gebeurt dit nog steeds. De telegrammen van Ganetsky waarop Trotski in zijn boek uit 1930 al antwoordde, zijn volgens Krielaars pas in 1991 na de val van de Sovjet-Unie naar boven gekomen. Straf dat Trotski er 61 jaar eerder op antwoordde!

Trotski beantwoordde de laster in juli 1917 op politieke wijze: “Lenin heeft dertig jaren gestreden voor de revolutie. Ikzelf vecht al twintig jaar tegen de onderdrukking van de volksmassa’s. En wij kunnen niet anders dan haat tegen het Duitse militarisme koesteren… Alleen iemand die niet weet wat een revolutionair is, kan op dit terrein verdachtmakingen tegen ons uiten. Ik werd door de Duitse rechters tot acht maanden gevangenisstraf veroordeeld omwille van mijn strijd tegen het Duitse militarisme… en dit weet iedereen. Laat niet toe dat iemand hier in deze zaal zegt dat wij Duitse huurlingen zijn, want dat is niet de taal van een overtuigde revolutionair, maar een laaghartig geluid.” De bolsjewieken streden ondubbelzinnig tegen het Duitse militarisme. Het Duitse regime dacht dat het zich wel kon permitteren om Lenin door het land te laten reizen in een trein om in Rusland de onrust te vergroten, maar een socialistische revolutie die als inspiratie zou dienen voor de Duitse werkenden en soldaten, dat wilde het Duitse regime zich liever niet riskeren. Neen, dan was de Duitse financiële steun aan onder meer islamfundamentalisten in Turkmenistan een pak veiliger.

Als Krielaars beweert dat Lenin collaboreerde met de Duitsers, “zowel voor als na zijn terugkeer”, kan hij daar geen bewijzen voor op tafel leggen en bovendien spreken de politieke omstandigheden dit verhaal tegen. Verder dan verbazing om het feit dat de bolsjewieken met zo weinig middelen zo efficiënt waren, komt ook Merridale niet. Efficiënt omgaan met weinig middelen is nochtans een constante voor elke arbeidersorganisatie die resoluut tegen het systeem ingaat… In plaats van bewijzen te leveren, leidt Krielaars ons als een heuse rattenvanger binnen in een web van spionnen. Dat er veel spionnen waren in die tijd, staat vast. Maar objectieve omstandigheden zijn nu eenmaal dwingender dan pogingen om via allerhande spionagepraktijken de situatie aan te passen. Impliciet moet Krielaars dit erkennen als hij vaststelt dat de vele spionnen op de trein van Lenin hem “niet uit de weg durfden te ruimen.” Hij zegt het op een toon alsof hij dit spijtig vindt. Na de hulp van de Duitsers en het falen van de spionnen stond “niets Lenins victorie nog in de weg.” De rest van het verhaal vat Krielaars zo samen: “Eenmaal op het Finlandstation in Petrograd werd hij door een enthousiaste menigte aanhangers onthaald. Vanaf dat moment begon hij met zijn hysterische toespraken het hongerige volk op te hitsen. Zeven maanden later pleegde hij met succes een staatsgreep.” In Februari had het hongerige volk aangetoond dat het niet met ‘hysterische toespraken’ moest opgehitst worden om tot revolutie over te gaan, in Oktober was dit evenmin het geval.

Het artikel van Krielaars bespreekt ook ‘Midden in de Revolutie’ van Helen Rappaport, een boek waarover we eerder op deze site schreven. Volgens Krielaars omschrijft Rappaport “zowel de chaos die een revolutie met zich meebrengt als het toeval dat bepaalt wie uiteindelijk de macht in handen krijgt.” We moeten het toegeven: Krielaars zet aan tot nadenken. Welk toeval bepaalde dat de werkende klasse en de arme boeren de macht in handen kregen? We weten het nog steeds niet, wij dachten dat de objectieve omstandigheden van honger en oorlog tot de revolutie van 1917 leidden. Maar neen, het was een niet nader omschreven ‘toeval’.

Na de Duitsers en de spionnen krijgen we in de bespreking van het boek van Rappaport nog een derde groep die volgens Krielaars verantwoordelijk was voor de Oktoberrevolutie. Hij verwijst naar de diplomaat die stelde dat de Voorlopige Regering Lenin moest arresteren en executeren omdat anders “een nieuwe revolutie onvermijdelijk was.” De hoofdstedelijke elite bleef volgens Krielaars “haar luxeleventje voortzetten, terwijl op straat de politie op hongerige betogers schoot. Daardoor bleef die elite tot op het laatst blind voor de woede van het volk, dat een bloedige heksenjacht hield op tegenstanders van de revolutie.”

Daarmee kan hij meteen een bruggetje maken naar het laatste cliché inzake de Russische Revolutie, met name dat het stalinisme de voortzetting van de revolutie van 1917 was. Krielaars schrijft: “Na Lenins overwinning in november 1917 zou die jacht een nog wreder gezicht krijgen. De bolsjewiekenleider bleek de rattenvanger van Petrograd te zijn. Onder zijn terreurbewind en dat van zijn opvolger Stalin was niemand zijn leven nog zeker.” Dat de Oktoberrevolutie amper slachtoffers maakte, vermeldt Krielaars niet. Dat meer dan 20 buitenlandse legers Rusland aanvielen om de prille Sovjet staat te wurgen, evenmin. Neen, als de bolsjewieken zich daartegen verzetten, toonden ze enkel dat ze de voorloper van het stalinisme waren. Het isolement van de Sovjet-Unie, de druk van de buitenlandse legers en de burgeroorlog, de tekorten en het achtergebleven karakter van het land maakten een opmars van een meedogenloze bureaucratische kaste mogelijk. Stalin wierp zich op als politieke vertegenwoordiger hiervan. Impliciet moeten de officiële geschiedschrijvers overigens erkennen dat Stalin, ook al was hij in Rusland in februari 1917, geen centrale leidinggevende figuur van de bolsjewieken was. Krielaars, Rappaport en Merridale wijzen daarvoor in de richting van Lenin en Trotski. Die laatste was na de dood van Lenin overigens ook de eerste om een marxistische analyse te brengen van de opkomst van het contrarevolutionaire stalinisme. Bij de 100ste verjaardag van de Russische Revolutie is het niet alleen nuttig om Trotski’s ‘Geschiedenis van de Russische Revolutie’ te lezen, ook ‘De Verraden Revolutie’ is een aanrader.

Doorheen de tekst van Krielaars is er een grote afwezige die nochtans van essentieel belang was in zowel de Februari- als de Oktoberrevolutie. De Russische massa’s van gewone werkenden, arme boeren en soldaten zijn blijkbaar veroordeeld tot een bijrol. Dat zij in opstand kwamen om ‘land, brood en vrede’ te eisen, gaat er bij Krielaars niet in. Neen, als het gewone volk – Rappaport had het even tendentieus over ‘het gepeupel’ –  zich op het politieke terrein begeeft, moet dit wel komen door Duits geld, spionnen en een onoplettende elite. Het feit dat Lenin wordt voorgesteld als een ‘rattenvanger’ zegt veel over hoe neerbuigend naar die massa’s gekeken wordt. Krielaars vergist zich echter: gewone mensen zijn wel degelijk in staat om hun eigen lot en toekomst zelf in handen te nemen. De Russische Revolutie heeft dit aangetoond. Wellicht daarom dat er zoveel inkt verspild wordt aan pogingen om deze ervaringen te minimaliseren of zelfs te criminaliseren?