Lenin’s Aprilstellingen

Op 3 april 1917 kwam Lenin in Petrograd aan na een treinreis door Duitsland. Die reis was een berekend risico: het was de enige manier om snel in Petrograd te geraken en daar een directe impact te hebben op de revolutionaire gebeurtenissen. Lenin werd enthousiast onthaald in Petrograd en hij maakte meteen gebruik van het aangeboden platform om zijn standpunten te verduidelijken.

Die standpunten botsten met de dominante visie die ook bij de Bolsjewieken heerste: de roes van de Februarirevolutie zorgde ervoor dat er heel veel krediet was voor de Voorlopige Regering. Dit werd nog versterkt toen Kamenev en Stalin in maart in Petrograd aankwamen en de Bolsjewieken verder in de richting van steun aan de Voorlopige Regering en zelfs verzoening met de Mensjewieken duwden. Voor hen was de revolutie het begin van een periode van kapitalistische economische en politieke ontwikkeling, waarbij de arbeidersklasse in een eerste fase de ‘liberale’ regering moest steunen aangezien socialisme slechts iets voor een verre toekomst was.

Er was verwarring onder de Bolsjewieken, zeker onder de arbeiders die midden de massastrijd stonden. De Voorlopige Regering bestond uit grootgrondbezitters, kapitalisten en aanhangers van het tsarisme. Deze regering kon geen einde maken aan de oorlog, zou de grond niet verdelen en kon evenmin de eisen van de werkenden inlossen. Suggereren dat dit wel kon, betekende illusies zaaien.

De sovjets werden nog geleid door rechtse krachten, maar baseerden zich op de collectieve kracht van de georganiseerde arbeidersklasse, de enige kracht die in staat was om de noodzakelijke radicale verandering door te voeren. Als de sovjets de macht niet zouden overnemen, kon de contrarevolutie en een militair bewind overwinnen.

In zijn ‘Aprilstellingen’ riep Lenin de Bolsjewieken op om campagne te voeren en de sovjets te overtuigen van een socialistisch programma op basis van onafhankelijke acties van de arbeidersklasse. Hij plaatste Rusland in 1917 tegen de achtergrond van internationale revolutionaire bewegingen.

Lenin eiste: geen steun aan de Voorlopige Regering, alle macht aan de sovjets, stop de oorlog, inbeslagname van het grootgrondbezit, nationalisatie van de banken, vestiging van arbeiderscontrole op de industrie, vervanging van leger en politie door arbeidersmilities, vervanging van de oude staatsbureaucratie door een arbeidersbewind, vestiging van een communistische partij en een nieuwe internationale.

Met dit programma botste Lenin met Stalin, Kamenev en de meerderheid van het Centraal Comité van de Bolsjewieken die in deze revolutionaire tijden vasthielden aan oude routineuze posities die door de loop van de gebeurtenissen achterhaald waren. In zijn ‘Aprilstellingen’ komt Lenin tot hetzelfde standpunt dat Trotski vanaf 1906, in een analyse van de revolutie van 1905, naar voor bracht als de ‘permanente revolutie’.