Lenin en Trotski tegen de bureaucratie. Russische Revolutie en de overgangsmaatschappij

Dossier door Eric Toussaint, vertaald door revolutie1917.com. Inleiding door Eric Byl // Volledige tekst met voorwoord in pdf


LSP verwelkomt de bijdrage van Eric Toussaint aan revolutie1917.com

De Russische Revolutie is nog steeds één van de grootste, zoniet de grootste eenmalige gebeurtenis uit de menselijke geschiedenis. Dat de 100e verjaardag aanleiding zou geven tot talloze vragen en opmerkingen was gemakkelijk te voorspellen. Als één van de directe erfgenamen van de politieke strekking die aan de basis ervan lag, kon en wou LSP daarin niet afwezig blijven. We organiseren dit jaar talloze evenementen, talloze meetings waarin specifieke episodes uit het revolutionaire proces dat zich doorheen 1917 afspeelde, in detail besproken worden. We gaan daarbij telkens na welke lessen achterhaald zijn en welke toepasbaar blijven in de strijdbewegingen die zich vandaag afspelen.

Eric Byl

De 12de maart organiseerde de vrouwencommissie van LSP een herdenking van de internationale vrouwendag die in 1917 het startsein was voor de Februarirevolutie. Voor ons is dat geen louter historische interesse, maar tegelijk de gelegenheid om ROSA – Reageer tegen Onderdrukking, Seksisme & Asociaal Beleid – een strijdorganisatie voor een socialistische benadering binnen de vrouwenbeweging, officieel te lanceren. We hebben het monumentale werk van Trotski, ‘de Geschiedenis van de Russische Revolutie’, heruitgebracht, net als een korter, meer toegankelijk inleidend werkje onder de titel ‘1917, Russische Revolutie schokt de wereld’. Met de website revolutie1917.com trachten we zo volledig mogelijk te antwoorden op de talloze leugens en misvattingen die gebracht worden door de gevestigde media. In november zal ons jaarlijks Socialisme-evenement quasi integraal gewijd worden aan wat toen de meest enthousiasmerende gebeurtenis was  voor generaties onderdrukten, maar meteen ook de meest verguisde voor al wie bekommerd was en nog steeds is over het behoud van de macht en rijkdom door een kleine elite. De Franse historicus Jean-Jacques Marie, specialist van de Sovjet-Unie en auteur van biografieën over Stalin, Lenin en Trotski heeft zijn deelname al toegezegd.

De aandacht van LSP voor deze grote gebeurtenis mag dan wel bescheiden kringen beroeren, een naar onze gewoonte groot aantal arbeiders, linkse intellectuelen en jongeren laat nu al haar waardering blijken. Zo ook Eric Toussaint. Toussaint lag in 1971 mee aan de wieg van de RAL, vandaag de SAP. Sinds 1990 is hij de drijvende kracht achter het Comité pour l’Annulation de la Dette du Tiers Monde (CADTM). Sedert 2010 ondersteunt hij via het International Citizen debt Audit Network diverse burgeraudits die staatsschulden van Europese landen doorlichten. In 2007 was hij lid van de commissie voor integrale audit van de schuld van Ecuador (CAIC), opgericht door president Rafael Correa. In 2008 verleende hij advies over schuldenaudit aan de Paraguyaanse president Fernando Lugo en in 2015 was hij wetenschappelijk coördinator van de Waarheidscommissie Griekse Overheidsschuld, opgericht door parlementsvoorzitster Zoi Konstantopoulou. Op vraag van Eric Toussaint her-publiceren we met genoegen een bijdrage die hij schreef in 1989 en dit jaar (2017) heeft aangevuld.

Opmerkingen van LSP bij de voorafgaande bemerkingen van E. Toussaint

LSP is erkentelijk voor de bereidheid van Eric Toussaint om deel te nemen aan dit debat. Zijn bijdrage verruimt ons inzicht en begrip over de toenmalige gebeurtenissen, verrijkt onze analyse en verplicht ons om soms dieper te graven. We zijn het niet altijd ten volle met hem eens, sommige van zijn stellingen zouden we graag in discussie met hem en anderen verder uitdiepen, daarop willen we even ingaan voor de lezer doorklikt naar zijn tekst.

In zijn inleidende opmerkingen over de moeilijkheden bij de overgang van kapitalisme naar socialisme, schrijft Eric dat Lenin (in ‘Staat en Revolutie’) het had over drie essentiële sociale klassen: de burgerij, het industrieproletariaat en de boeren. Dat het erop aan kwam “een bondgenootschap tot stand te brengen van het proletariaat met de boeren om de dictatuur van de burgerij omver te gooien.” En verder dat “deze alliantie  moest gebeuren onder leiding van het proletariaat en behouden blijven na de machtsovername indien men in staat wou zijn om tegelijk de restanten van de oude orde te bestrijden, de aanvallen van de imperialistische burgerij af te slaan, de taken van de democratische revolutie te realiseren en de socialistische omvorming aan te vatten.” Volgens Eric bevindt zich echter een struikelblok in Lenins’ redenering, namelijk dat aan de burgerij, het proletariaat en de boeren een vierde acteur moet toegevoegd worden: de bureaucratie.

Lenin schreef “Staat en revolutie” tijdens zijn verplicht verblijf in Finland na de Julidagen, in augustus-september 1917. Hij vatte daarin de beschikbare kennis en inzichten van de marxisten over de rol van de staat samen, overliep de ervaringen van de revoluties van 1848 en de Commune van Parijs, en trachtte een beeld te schetsen van de taken die de arbeidersbeweging en de marxisten in het algemeen te wachten staan bij de overgang van kapitalisme naar socialisme. Lenin heeft het werk niet voltooid. In het nawoord zegt hij “De opzet van het volgende, het zevende hoofdstuk over ‘De ervaringen van de Russische revoluties van 1905 en 1917’ was er al. Maar behalve de aanhef van dit hoofdstuk heb ik er geen regel van kunnen schrijven: ik werd daarin ‘gestoord’ door de politieke crisis, de vooravond van de revolutie van oktober 1917. Over zulk een ‘storing’ kan men zich alleen maar verheugen.”

We weten uiteraard niet wat Lenin geschreven zou hebben. Maar we hebben een sterk vermoeden dat hij in dat laatste hoofdstuk zou overgegaan zijn van het algemene naar het specifieke, van de proletarische revoluties in de meest ontwikkelde kapitalistische landen, naar de revolutie in ‘de zwakste schakel van de kapitalistische keten.’ Hij zou daarin ongetwijfeld uitvoerig ingegaan zijn op de enorme differentiatie op het platteland, tussen rijke boeren, boeren met een minimum aan eigen productiemiddelen en feitelijke landarbeiders, laat staan de feodale relaties gekenmerkt door achtergebleven opvattingen en gewoontes. Het bondgenootschap van arbeiders en boeren was er in Rusland destijds één van arbeiders en arme boeren, niet alleen tegen de zwakke burgerij, maar ook tegen de grootgrondbezitters, de feodale verhoudingen, het Tsarisme en de onmetelijke bureaucratie die daarmee verbonden was.

Het zou ons eveneens sterk verbazen indien Lenin in dat zevende hoofdstuk niet benadrukt had dat in Rusland de restanten van de oude orde bijzonder taai waren en indien hij niet gehamerd had op het semi-feodale karakter van het Tsarenrijk met haar sterke bureaucratie en haar zwakke inheemse burgerij. Wij denken dus dat Lenin in dat zevende hoofdstuk, indien hij het had kunnen afwerken, het struikelblok waarnaar Eric verwijst, de bureaucratie, behandeld zou hebben. Maar niet zoals Eric, vermoeden we, niet als een vierde acteur op gelijke hoogte met de drie aangehaalde essentiële sociale klassen. Zoals Eric zelf onder “de limieten van de positie van Lenin” zal uitleggen, benaderde Lenin de bureaucratie vooral als een erfenis van de oude maatschappij die zich in die periode van overgang geleidelijk entte op de nieuwe maatschappij. Onder “de laatste strijd van Lenin” geeft Eric daar trouwens een verpletterende illustratie van door te verwijzen naar een studie over de samenstelling van de ambtenaren in de regio Viatka in het prille begin van de jaren ’20. Daaruit blijkt dat op een totaal van 4766 ambtenaren er 4430 waren die ook al op post waren onder het tsarisme. Het klopt dat het hier om een steekproef ging, maar de situatie in Viatka was niet fundamenteel verschillend van die elders in de jonge Sovjetrepubliek.

Eric heeft gelijk dat noch Marx, noch Engels, Lenin, Trotski of de andere leiders van de bolsjewieken het probleem hebben gesteld van de bureaucratie als ‘sociale laag’ die een ‘specifieke autonome rol zou spelen ten opzichte van de andere sociale krachten.’ Maar zowel Marx als Engels hebben in hun studies over de Franse revolutie en die van 1848 wel gewezen naar het vermogen van de staat om zich tijdelijk te verheffen boven de klassentegenstellingen, zich op te stellen als ‘scheidsrechter’ en tot op zekere hoogte een onafhankelijke rol te spelen, maar dan wel gebaseerd op de consolidatie, de versterking en de vruchten van de nieuwe, kapitalistische, productiewijze. Marx wijst er in “De Duitse Ideologie” op dat in een maatschappij van tekorten, “die ganze alte Scheiße sich herstellen müßte” (“heel de oude misère zich onvermijdelijk zou herhalen”). In zijn “anti-Duhring” benadrukt Engels niet zomaar dat de staat ‘in laatste instantie’ een groep gewapende mannen is.

Kortom, zonder het in zoveel woorden te zeggen, hadden Marx en Engels wel degelijk de mogelijkheid, zoniet de onvermijdelijkheid overwogen van een zekere graad van “autonomie” van het staatsapparaat, een autonomie die omgekeerd evenredig zou zijn met de graad van ontwikkeling van de productiekrachten van de betrokken maatschappij. Behalve de objectieve nood aan een voldoende ontwikkeld productieapparaat, deden de marxisten ook een aantal subjectieve voorstellen om te vermijden dat “die ganze alte Scheiße” zich kon herstellen. Zowel Marx en Engels als Lenin zijn enthousiast over enkele cruciale maatregelen van de Commune van Parijs zoals ‘de verkiesbaarheid en permanente afzetbaarheid van alle publieke functies’, ‘die qua verloning niet meer mogen opleveren dan het gemiddeld arbeidersloon’, ‘een rotatie van de functies’ en ‘de vervanging van een staand leger door het gewapende volk’.

We willen Eric geen intentieproces aandoen, maar we denken dat zijn struikelblok met Lenin – en LSP  – hoofdzakelijk het sociaal karakter en de graad van autonomie van de bureaucratie betreft. We zijn er niet blind voor dat de bureaucratie, zelfs al was ze oorspronkelijk vooral een erfenis van het tsarisme, door zich te enten op de nieuwe arbeidersstaat, geleidelijk die erfenis achter zich gelaten heeft en een eigen dynamiek ontwikkeld heeft. Dat was zeker het geval nadat Stalin zich aan het hoofd ervan plaatste, er de woordvoerder van werd en via haar een politieke contrarevolutie doorvoerde.

Toch heeft LSP de sovjetbureaucratie steeds geanalyseerd als een kaste die weliswaar een buitengewone graad van autonomie bereikte,  maar zelf geen specifieke plaats innam in de eigendomsverhoudingen en zich integendeel als een parasiet nestelde op de onderbouw van de genationaliseerde en geplande economie. Ze slaagde daarin door zich te baseren op inertie, op de passiviteit van de arbeidersklasse en bredere lagen. Lenin verwees daar expliciet naar, en dan nog wel in het citaat dat door Eric onder ‘de laatste strijd van  Lenin’ wordt aangehaald, waar hij zich afvraagt wie eigenlijk wie leidt, nadat hij vaststelde dat de arbeidersklasse als klasse had opgehouden te bestaan. Een bureaucratische kaste is ook de stelling die Trotski innam in “De Verraden Revolutie.” Zodra de arbeidersklasse in beweging kwam, moest de bureaucratie wel naar geweld grijpen, want doordat ze zelf geen wortels had in de eigendomsverhoudingen, kon ze vrij snel in elkaar stuiken. Hoe belangrijk de genationaliseerde en geplande economie voor het voortbestaan van de sovjetbureaucratie wel was, werd trouwens geïllustreerd door de economische, politieke en sociale instorting die volgde op de restauratie van het kapitalisme eind de jaren ’80 en begin jaren ’90.

Eric behoedt er zich voor om de bureaucratie een sociale klasse te noemen: hij houdt het op een sociale laag, maar toch hebben we het gevoel dat hij de graad van autonomie van de bureaucratie ten opzichte van de economische onderbouw overschat. Eric verwijst ter ondersteuning van zijn stelling naar de uitstekende bijdrage van één van de grootste figuren van de linkse oppositie, Christian Rakovski, onder de titel “de “professionele gevaren” van de macht” (1928). Rakovski heeft het daarin over de differentiatie die plaatsgrijpt in de arbeidersbeweging en in de communistische partij zodra die overgaat van de strijd om de macht naar de uitoefening ervan. Hij heeft het over “een nieuwe sociale categorie”, “verschillende sociale strata”, “sociale differentiatie” etc. Men zou daaruit kunnen afleiden dat Rakovski in zijn analyse over de bureaucratie evolueerde naar een vergelijkbaar standpunt als dat van Eric (niet een kaste die zich aanpast aan de nieuwe onderbouw en een politieke contrarevolutie doorvoert, maar een nieuwe sociale laag die organisch groeit uit de transitie van de ene maatschappij naar de andere).

De mogelijkheid van een zekere autonomie van het staatsapparaat was zeker geen verassing voor de marxisten, maar dat ze hun analyse aan de hand van de concrete ervaringen aan een kritisch onderzoek onderwierpen, bijstelden, desnoods wijzigden en verscherpten, dat is vanzelfsprekend. Dat is, denken we,  de manier waarop we de bijdrage van Rakovski moeten inschatten. Hij benadrukte trouwens zelf op het einde ervan dat hij bewust abstract van het economisch en sociaal leven geredeneerd had, waarvoor hij verwees naar het platform van de oppositie (1927). Hij verontschuldigde zich dat zijn uiteenzetting daardoor misschien een eenzijdig karakter kreeg. Een eenzijdigheid die naar ons oordeel het gevolg is van het analyseren van de ontwikkelende bureaucratie los van de specifieke zwakte en het isolement van de jonge Sovjetstaat. We denken dat Trotski en de Linkse Oppositie juist daarom de bijdrage van Rakovski niet hebben opgepikt en verder uitgewerkt. Hoe zwak de jonge Sovjetstaat wel was, wordt door Eric in het hoofdstuk “De vijf eerste jaren van de sovjet arbeidersstaat” trouwens zeer goed geschetst.

Het vakbondsdebat

Bij het hoofdstuk over het vakbondsdebat geven we graag nog wat aanvullende informatie om de lezer beter in staat te stellen te begrijpen waar het debat juist over ging. Bij de opening van het tweede al-Russisch sovjetcongres van 25 oktober 1917 hadden de Bolsjewieken 51% van de ruim 600 afgevaardigden. Samen met de linkse sociaal-revolutionairen, waarmee ze een coalitieregering zouden vormen, beschikten ze de dag van de Oktoberrevolutie over een ruime meerderheid. De leiders van de mensjewieken en van de sociaal-revolutionairen weigeren het congres te erkennen en verlaten met een vijftigtal afgevaardigden de zaal. Een dag later doet het sovjetcongres een vredesvoorstel aan alle oorlogvoerende volkeren en hun regeringen, zonder annexaties en herstelbetalingen. Ze krijgen geen antwoord. De doodstraf wordt afgeschaft, privaat bezit van de grond geannuleerd en overgedragen aan boerencomités voor herverdeling. Een raad van volkscommissarissen wordt benoemd in afwachting van een grondwetgevende vergadering.

De pers is uitzinnig, heeft het over geweldenaars, avonturiers, en de ‘dictatuur van Lenin’. Kerenski en de rechtse sociaal-revolutionairen richten een Comité voor de Redding van het Vaderland en de Revolutie op. Generaal Krasnov marcheert met 800 kozakken op Petrograd. De officiersschool organiseert een opstand in Moskou. Het Comité voor de Redding roept de ambtenaren, doorgaans nog benoemd onder de Tsaar, op om de nieuwe regering te boycotten. Ambtenaren die bereid zijn te staken krijgen drie maand loon vooraf betaald uit een door de patroons opgezet fonds. De mensjewistische leiders van de postbond, tot dan zelden bereid tot actie, roepen op de telegraaf stil te leggen. De eveneens door mensjewieken geleide spoorbond blokkeert de treinen waardoor de graanbevoorrading van Petrograd in het gedrang komt en hongersnood dreigt. De 29steoktober stelt de leiding van de spoorbond een ultimatum: als de bolsjewieken geen homogeen socialistische regering met een bolsjewistische minderheid aanvaarden, gaan ze die avond in staking.

Tijdens de burgeroorlog uitgelokt door de binnenlandse contrarevolutie en imperialistische interventies wordt 80%  van de spoorwegen beschadigd, meer dan 60% van de locomotieven is buiten gebruik, het communicatienet is volledig ingestort. Het herstel van de spoorwegen is cruciaal voor de hele Russische industrie en de bevoorrading van de steden. Op het hoogtepunt van de Poolse oorlog hangt het lot van de revolutie ervan af. Het negende partijcongres (1920) stelt vast dat de belangrijkste hindernis om de crisis van de spoorwegen te boven te komen, de spoorarbeidersbond was. Dat was een oude standsorganisatie, traditioneel mensjewistisch, die voortdurend botste met de bolsjewistische regering. Dat zijn de omstandigheden waarin het debat over de vakbonden plaatsgreep.

In de strijd voor het behoud van de staalfabriek Forges de Clabecq in de jaren 1990, stelde toenmalig vakbondsleider Roberto D’Orazio: “Als de arbeiders verenigd zijn kunnen ze alles aan. Wij hebben de aanvallen van de patroons, de regering, de pers, de politie en het gerecht afgeslagen. We zijn pas in de problemen gekomen toen we geconfronteerd werden met een kracht die zich op dezelfde klasse baseerde als wij: de vakbondsbureaucratie.” D’Orazio en de arbeiders van Clabecq maakten dit mee in de jaren ’90 in België, in vredestijd. De bolsjewieken werden ermee geconfronteerd op oneindig veel grotere schaal, in een economie die in puinhoop lag na WOI en in volle burgeroorlog.

Trotski zag in de eerste plaats de dreigende catastrofe en de nood om een einde te maken aan de economische sabotage vanwege de mensjewistische vakbondsleiders. Lenin, die aanvankelijk de voorstellen van Trotski steunde, kwam er deels op terug, niet omdat hij het oneens was met Trotski over de essentie, het breken van de wurggreep waarin de mensjewistische leiders de spoorbonden hielden, maar omdat hij meende dat een aanzienlijk deel van de spoormannen de interventie van de sovjet en de partij in hun vakbond niet zouden begrijpen waardoor de eenheid van de partij en de meest bewuste arbeiders met de iets bredere, minder politieke lagen, in het gedrang zou komen.

We komen daarop terug, maar er rest ons vooraf nog één opmerking. ‘Als de syndicalisten beheerders worden, verliezen ze de mogelijkheid om het beheer te controleren omdat ze die zelf rechtstreeks uitoefenen en lopen ze met zekerheid het gevaar een radertje in de bureaucratie te worden. Het beheer van de fabrieken aan de vakbonden overdragen, betekent het katalyseren en kristalliseren van de bureaucratisering van zowel de vakbonden als de arbeidersstaat. Men moet een dialectische relatie behouden tussen staats- of publiek beheer enerzijds, en arbeiderscontrole anderzijds’, schrijft Eric. In de concrete context van toen, toen de bureaucratische deformaties in de staat duidelijk zichtbaar waren, klopt dit. Maar het zou verkeerd zijn daaruit af te leiden dat de arbeiders zich steeds moeten beperken tot controle en bij voorbaat arbeidersbeheer moeten afwijzen. De eis voor arbeiderscontrole en –beheer is correct op voorwaarde dat die gepaard gaat met de democratische verkiezingen van vertegenwoordigers, die niet meer mogen verdienen dan het gemiddelde loon van een geschoolde arbeider etc. Als dat ontbreekt, kan arbeiderscontrole en meer nog -beheer tegen de arbeidersklasse gebruikt worden. Het is daarom dat we dit moeten verbinden met de democratisering van de instrumenten van de arbeidersbeweging en de strikte controle van de vertegenwoordigers van de werkenden in de raden van bestuur.

Beperkingen van de positie van Lenin

Het is volgens ons diezelfde bekommernis, het behoud van de éénheid met de minder bewuste lagen, die Lenin ertoe drijft op het tiende partijcongres (1921) voor te stellen het tendens en fractierecht voor de zogenaamde ‘Arbeidersoppositie’ te verbieden. Over de ‘Arbeidersoppositie’ zegt hij in zijn werken het volgende (dl 32): “De genoemde afwijking is gedeeltelijk te wijten aan de toestroom naar de partij van vroegere mensjewieken, en ook van arbeiders en boeren, die nog niet de communistische wereldvisie volledig geabsorbeerd hebben. Deze afwijking is echter voornamelijk te wijten aan de invloed die wordt uitgeoefend op de arbeidersklasse en op de Russische Communistische Partij door het kleinburgerlijke element, dat in ons land buitengewoon sterk is en onvermijdelijk aarzelingen oproept naar het anarchisme, met name op momenten wanneer de toestand van de massa’s sterk is verslechterd als gevolg van de misoogst en van de verwoestende effecten van de oorlog, en wanneer de demobilisatie van het leger dat uit miljoenen bestond, duizenden boeren en arbeiders vrijmaakt die niet meteen in staat zijn om normale bestaansmiddelen te vinden.”

Kortom, zelfs indien, zoals Eric schrijft, de tekst van Lenin niet expliciet vermeldt dat de opheffing van het fractie- en tendensrecht tijdelijk was, dan nog blijkt uit Lenins argumentatie dat die maatregel verbonden was met de specifieke omstandigheden van misoogst, verwoesting en demobilisatie van miljoenen, en geenszins bedoeld was als eeuwig durend algemeen geldend principe. Dat het verbod ‘relatief’ was, blijkt trouwens ook uit Lenins’ voorstel om twee leiders van de Arbeidersoppositie op te nemen in het Centraal Comité. Net voordien in zijn tekst maakt Eric het punt dat Lenin de bureaucratie ziet als een erfenis van het tsarisme terwijl ze volgens de auteur ook het product is van de overgangsmaatschappij zoals die is na de vernietiging van het Tsaristisch apparaat. Hij haalt er Trotski bij als die wijst op het ontstaan van de bureaucratie als gevolg van tekorten. Wij zien de tegenstelling niet, als Lenin verwijst naar de erfenis van het tsarisme, bedoelt hij niet alleen, zelfs niet vooral, de bureaucratische instellingen, maar ook het semi-feodale karakter, de achterlijkheid, de lage graad van industriële ontwikkeling etc.

In de volgende paragraaf, eveneens over de vrijheid van debat in de bolsjewistische partij, zegt Eric dat het een traditie was in die partij om grondige discussie als noodzakelijk te beschouwen, “maar zodra de beslissing genomen was, moest ze in éénheid uitgevoerd worden.” We weten dat het Verenigd Secretariaat van de Vierde Internationale, waartoe Eric behoort, dit algemeen principe zeer strikt interpreteert, te strikt naar ons oordeel. Later in zijn tekst, onder ‘Welke balans van de discussie over de Nieuwe Koers, verwijst Eric naar Preobrazhenski die het schrappen van het verbod op fracties en groepen voorstelt met het argument dat “… deze groepen, als ze mochten bestaan, slechts een tijdelijk karakter zouden hebben – de tijd waarop de voorbereidende discussie plaats vindt van deze of gene conferentie of congres – en dat hun samenstelling zou variëren …” De fracties van de bolsjewistische partij en voordien van de bolsjewieken toen ze nog deel uitmaakten van de Russische Sociaal Democratische Arbeiderspartij, waren echter helemaal niet zo “tijdelijk” en al zeker niet beperkt tot de periode van discussie in aanloop naar congressen. Zelfs de vereiste éénheid in uitvoering, nochtans een belangrijk gegeven in een partij die moet werken onder brutale repressie, werd met de nodige soepelheid gehanteerd.

Eric wijst op het verbod van alle oppositiepartijen vanaf 1918 en in de volgende jaren. Hij haalt terecht aan dat dit geleid heeft tot een drastische beperking van het democratisch leven in de Sovjet-Unie, maar laat helaas na de rol van die partijen in de burgeroorlog en de buitenlandse imperialistische interventies in herinnering te brengen. Verbod op partijen die in oorlogstijd de buitenlandse vijand steunen was toen, en is nog steeds, een gangbare praktijk. Het verbod kwam er hetzij omdat ze de Witte legers en de buitenlandse interventies steunden, hetzij omdat ze hun eigen opstand tegen de bolsjewieken lanceerden. Dat uiteindelijk alle oppositiepartijen verboden werden, heeft catastrofale gevolgen gehad, maar kwam er ook doordat enkel de bolsjewieken bereid waren de eisen van de Russische massa’s voor land, brood en vrede, tot het einde te steunen terwijl alle oppositiepartijen, zonder uitzondering, de Oktoberrevolutie en haar Sovjetregering gewapenderhand en met steun van de Witte legers en buitenlandse interventie trachtten neer te slaan.

‘Een Blok Lenin-Trotski tegen Stalin’

We wezen erop dat Trotski zich in het debat over de vakbonden vooral liet leiden door de objectieve noodzaak om snel de vernielde infrastructuur herop te bouwen. Lenin was daar zeker niet ongevoelig voor, maar uiteindelijk gaf bij hem de eenheid van de partij en de meest bewuste arbeiders met de bredere, minder politieke, lagen de doorslag. Het verschil tussen beide was van tactische aard, niets essentieels, en volkomen begrijpelijk in de moeilijke situatie waarin de Sovjetstaat zich toen bevond.

Een soortgelijk tactisch meningsverschil had zich voorgedaan ten tijde van de vredesbesprekingen van Brest-Litovsk. Zowel Lenin als Trotski hoopten dat de Duitse arbeidersbeweging snel de Sovjetstaat ter hulp zou schieten en wilden tijd winnen, maar de Duitse revolutie liet nog een aantal maanden op zich wachten. Uiteindelijk zou Trotski zich uitspreken voor het stoppen van de vijandigheden en demobilisatie, maar zonder een vredesakkoord te tekenen vooraleer de Duitse troepen het offensief inzetten. Lenin vond dat een te gevaarlijke strategie en was voor het onmiddellijk ondertekenen van een vredesverdrag ondanks de loodzware Duitse eisen. Beiden vertegenwoordigden toen de gematigde vleugel tegenover diegenen die voorstander waren van het voortzetten van de oorlog als een revolutionaire oorlog, hetgeen ze allebei als onmogelijk beschouwden gezien de desintegratie van het leger waarvan de officieren naar de reactie overgelopen waren.

Eric beschrijft hoe Lenin eind 1922 voorstelt aan Trotski om blok te vormen tegen de bureaucratie. Tegen het 12de congres ligt Lenin echter verlamd te bed. In plaats van zich toe te spitsen op een reeks overeengekomen politieke maartregelen, waaronder de afzetting van Stalin als algemeen secretaris, om het probleem van bureaucratische deformatie aan te pakken, concentreert Trotski zich op de economische politiek. Hij doet dat in de hoop daarmee de materiële voorwaarden te herstellen waardoor het industrieproletariaat haar vitaliteit kan herwinnen en de kloof tussen de steden en het platteland gedicht kan worden. Was dat een vergissing? Trotski laat die vraag open. Een overwinning op de bureaucratie was mogelijk geweest, maar in hoeverre zou die duurzaam zijn geweest als de cruciale kwestie van een hernieuwde inbreng van de arbeidersbeweging achter zou blijven? In afwezigheid van Lenin met diens verworven autoriteit, verkoos Trotski zich te concentreren op de essentie en de bureaucratie niet de kans te geven het voor te stellen alsof Trotski erop uit was de plaats van Lenin in de partij en de staat over te nemen.

Verviel Trotski in de lente van ‘23 opnieuw in de rol van ‘verzoener’ die hij gespeeld had voor 1917? Had hij het verloop van de geschiedenis kunnen veranderen door een heuse oorlogsmachine op te zetten om de fractie van Stalin te doen ontsporen? Zoals Eric schrijft: Stalin was maar de uitdrukking van een bureaucratische laag die zich begon te stabiliseren, te kristalliseren in de poriën van de sovjetmaatschappij, de staat en de Bolsjewistische partij vanaf het begin van de jaren ’20. Maar de mythe dat Trotski een onverbeterbare stokebrand was, een fractionalist die voortdurend nieuwe splitsingen uitlokte, is overduidelijk laster, uitgevonden door de stalinisten toen zij de macht hadden. Trotski had integendeel een afkeer voor fractievorming en dat had hij al vanaf 1902 duidelijk laten blijken. Het siert hem dat hij steeds zocht naar een gemeenschappelijke verstandhouding, dat hij nooit de blik afwendde van het bredere plaatje van de objectieve condities, het heeft er ongetwijfeld toe bijgedragen dat zijn ideeën tot vandaag een referentiepunt blijven. Maar Trotski erkent ook zelf dat hij tot voor 1917 te ver is gegaan in het proberen om het onverzoenbare te verzoenen, het is ook de reden waarom hij ervan overtuigd was dat de Russische Revolutie ook zonder hem haar beloop had gekend, maar zonder Lenin onmogelijk geweest was.

Tenslotte komen we graag even terug op een paragraaf uit ‘het debat over de nieuwe koers’. Trotski verwerpt er het idee van Stalin dat de nieuwe koers hoofdzakelijk een kwestie is van pedagogie en stelt dat het probleem vanuit politiek oogpunt moet aangepakt worden. “Men kan de toepassing van arbeidersdemocratie niet afhankelijk maken van de mate van “voorbereiding” van de partijleden erop. Onze partij is een partij. We kunnen strenge eisen stellen aan degenen die willen aansluiten en lid willen blijven, maar wie eenmaal lid is, neemt meteen deel aan al haar activiteiten.” Kortom, Trotski benadrukt hier dat elk partijlid, zodra die aan de lidmaatschapsvoorwaarden voldoet, moet kunnen deelnemen aan alle partijactiviteiten, ook het bepalen van haar standpunten. Hij verwijt Stalin een partij te willen waarin deelname aan de besluitvorming afhankelijk wordt gemaakt van de graad van “voorbereiding”, een partij dus van verschillende lagen – kaders, militanten, steunleden – of zoals dat in de maoïstische traditie heet: concentrische cirkels. Het is het model geworden voor de stalinistische partijen en hun erfgenamen, waarbij de echte beslissingen genomen worden door het centrum en men minder inspraak heeft, naarmate men zich verder van het centrum bevindt.

De levende, pluralistische socialistische democratie

In het laatste deel dat in 2017 door Eric toegevoegd werd, licht hij het manifest toe dat het 13de wereldcongres van het Verenigd Secretariaat van de Vierde Internationale goedkeurde over de kwestie van democratie in de fase die volgt op de revolutie.  Hij citeert daarbij eveneens de waarschuwingen die Rosa Luxemburg in 1918 richtte aan de bolsjewieken. Die waarschuwingen zijn achteraf volledig terecht gebleken, maar de concrete condities, het isolement van de Russische Revolutie in een land waarin modern kapitalisme nog maar net haar plaats had opgeëist tussen de dominante feodale verhoudingen, waar slechts een kleine bevoorrechte laag geletterd was, waarvan de economie tijdens de oorlogsjaren met de grond gelijk was gemaakt, uitgeput door oorlog, burgeroorlog en imperialistische interventies en onderhevig aan sabotage en internationale boycot, liet de bolsjewieken weinig marge toe en stond de bureaucratie toe om geleidelijk de macht naar zich toe te trekken.

Vandaag zijn de objectieve condities  voor socialisme veel gunstiger dan toen. De ontwikkelingsgraad ligt onmetelijk hoger, met een geletterde bevolking en een georganiseerde geschoolde arbeidersklasse, zelfs in de meeste voormalige koloniale landen. De voorwaarden voor revolutie, dat de heersende klasse t.g.v. de crisis niet langer in staat is om op de oude manier te regeren, dat er zich splitsingen ontwikkelen in verschillende vleugels die hun eigen oplossing voor de crisis zoeken; dat er zich bij de middenlagen een gisting voordoet; dat de arbeidersklasse een uitweg zoekt, niet binnen de oude maatschappij maar binnen een nieuwe maatschappijorde, zijn in een hele reeks landen gerijpt en hebben in een aanzienlijk aantal al geleid tot revolutionaire gebeurtenissen. De ontbrekende factor is een marxistische leiding aan het hoofd van massaorganisaties van de arbeiders die de noodzakelijke strategie, tactiek en organisatie beheerst om de overwinning te verzekeren.

Arbeidersdemocratie en internationalisme zijn noodzakelijke voorwaarden in aanloop naar, tijdens en onmiddellijk na revolutie. De voorwaarden daartoe zijn dankzij de potentiële sterkte van de arbeidersbeweging, het uitgebreid netwerk van communicatie en transport, veel meer vervuld dan in Rusland in 1917. De weerstand van de kapitalisten zal echter maar onder moeten doen voor die van hun voorgangers voor zover ze op verzet stoten van de eigen arbeidersklasse en dat zal niet alleen bepaald worden door objectieve omstandigheden, maar mee door de aanwezigheid van een bewuste, marxistische leiding in een hele reeks cruciale landen.


Inleidende opmerkingen

Ten eerste, de marxisten en het probleem van de overgangsmaatschappij tussen kapitalisme en socialisme: toen de bolsjewieken werden geconfronteerd met de opbouw van een arbeidersstaat vanaf de opstand van oktober 1917, hadden ze op dit gebied maar weinig theoretische achtergrond om zich op te baseren. Het was feitelijk de eerste historische en praktische ervaring op grote schaal van een poging om een ​​socialistische samenleving op te bouwen.

Marxistische geschriften hebben de problemen van de overgang aangeraakt, geschriften van voor 1917: het zijn de geschriften van Marx en Engels, onder andere ‘Kritiek op het programma van Gotha en Erfurt’, en de lessen getrokken door Marx, Engels en later door Lenin uit de ervaring van de Commune van Parijs. Dit was de eerste historische ervaring van de dictatuur van het proletariaat, hoewel van korte duur en op een zeer beperkte geografische schaal, zeker niet te vergelijken met het tsaristische Rusland. Ten slotte is er een zeer belangrijk boek geschreven door Lenin zelf in het jaar 1917: ‘Staat en Revolutie’. Deze tekst ontwikkelt de analyses van Marx en stelt een methode voor  politiek leiderschap voor van de overgangsmaatschappij, maar benadert het probleem niet vanuit economische invalshoek.

Tweede opmerking. Hoe zag men tot 1917 het probleem van de overgang tussen kapitalisme en socialisme, het probleem van de dictatuur van het proletariaat?

Dit werd door de marxisten van destijds en onder andere Lenin op driehoekige wijze benadert. Driehoekig in de zin dat hij drie essentiële klassen opvoerde: de burgerij, het industriële proletariaat en de boeren. Het kwam erop aan een bondgenootschap tot stand te brengen van het proletariaat en de boeren om de dictatuur van de burgerij omver te gooien. Dit bondgenootschap moest worden geleid door het proletariaat en gehandhaafd worden na de machtsovername als men zowel de overblijfselen van de oude orde wou bestrijden, als de aanvallen van de imperialistische burgerij weerstaan, als de taken van de democratische revolutie doorvoeren en de socialistische omvorming aanvatten.

Lenin heeft veel nagedacht over het probleem van het bondgenootschap tussen arbeiders en boeren. Het struikelblok in dat schema,  is dat in werkelijkheid de opbouw van een overgangsmaatschappij zich niet op een driehoekige wijze stelt, maar op een vierhoekige. Aan de burgerij, het proletariaat en de boeren voegt zich een vierde speler toe: de bureaucratie. Noch Marx, noch Engels, noch Lenin, noch de andere bolsjewistische leiders onmiddellijk na de opstand van 17, hebben het probleem van de bureaucratie als een sociale laag die een ​​specifieke onafhankelijke rol van de drie andere grote krachten zou spelen, gesteld.

Nochtans is het probleem van iedere overgangsmaatschappij dat de arbeidersklasse in bondgenootschap met de boeren niet alleen eenvoudigweg de burgerij op internationale en nationale schaal moet bestrijden, maar tegelijk de bureaucratische vervormingen. En zodra die groeien, zal ze moeten vechten tegen de bureaucratische laag die zich zal kristalliseren. Voor de periode 1919-1923, zal u een reeks teksten van bolsjewistische leiders vinden die het bureaucratisme en de bureaucratie aan de kaak stellen. Maar wij vinden geen enkele analyse van de bureaucratie als een laag die, naarmate ze zich kristalliseert, een autonome rol kan spelen. Binnen de ‘trotskistische oppositie,’ moeten we wachten tot 1928 opdat een tekst zou geschreven worden die de bureaucratie vanuit die invalshoek analyseert. Het gaat over de vermaarde tekst van Christian Rakovski getiteld “de professionele gevaren van de macht.”

De eerste vijf jaar van de arbeiderssovjetstaat?

Vijf jaar na de revolutie, in 1922-1923, is er een grote reflectie over de bureaucratische problemen en hoe ze te bestrijden. Het is vooral de belangrijkste leider van de partij, Lenin, die de kwestie van de bureaucratische vervormingen systematisch aankaart en probeert een aantal specifieke oplossingen aan te reiken. De bureaucratie wordt ook aan de kaak gesteld door minderheidstendensen in de bolsjewistische partij, met inbegrip van de Arbeidersoppositie (vanaf 1920-1921) en de tendens van het Democratisch Centralisme.

Wat gebeurde er in de eerste vijf jaar van de arbeiderssovjetstaat? De nieuwe staat bevindt zich aan het hoofd van een land met een overweldigende meerderheid van boeren. Ten tijde van de revolutie zijn er slechts 3.000.000 industriearbeiders en vijf jaar later zijn ze met nog maar met ongeveer 1.200.000.

Wat de revolutie doet voor de meerderheid van boeren, is hen toegang verlenen tot grond; die wordt gegeven aan degenen hem bewerken. De boeren zijn dus niet georganiseerd in staatsboerderijen en coöperatieven. Ze bestaan voornamelijk uit 25 miljoen boerenfamilies die elk hun perceel bewerken. Er zijn weinig landarbeiders; de staatsboerderijen en coöperatieven zijn goed voor iets minder dan 2% van de landbouwgrond.

Tussen 1917 en 1922 gaat de economische politiek van de sovjets  door drie fasen:

De eerste fase staat toe socialistische omvormingen te beginnen door “despotische” invallen van de dictatuur van het proletariaat op het gebied van privé-eigendom, om Marx te parafraseren. In de situatie van Rusland betekent dat de overdracht van grond aan de natie en zijn verdeling in vruchtgebruik aan hen die hem bewerken, de nationalisatie van het kredietwezen en de banken, de oprichting van het staatsmonopolie op de buitenlandse handel, de veralgemening van arbeiderscontrole … In een toespraak op het buitengewone congres van de sovjets van 4 december 1918 somt Lenin enkele van de genoemde maatregelen op en benadrukt hij expliciet hun socialistisch karakter: “Deze revolutie is socialistisch. De afschaffing van de particuliere eigendom van de grond, de invoering van arbeiderscontrole, de nationalisatie van de banken zijn alle maatregelen die leiden naar het socialisme. Het is nog niet het socialisme, maar het zijn maatregelen die ons er met reuzenstappen toe leiden. Wij beloven de boeren en arbeiders van vandaag op morgen geen land van overvloed, maar we zeggen: van het nauwe bondgenootschap van arbeiders en uitgebuite boeren leidt de besliste strijd voor de macht van de sovjets, zonder tegenspoed, ons naar het socialisme.” (Lenin, keuze uit de werken, deel 2, p. 508-509).

De radicale aard van de direct na de machtsovername genomen maatregelen impliceert niet dat de bolsjewieken welke illusies ook koesteren over de mogelijkheid om snel het socialisme in Rusland te vestigen. Zij geloven integendeel dat Rusland het socialisme slechts kan bereiken met de hulp van het proletariaat van de belangrijkste imperialistische machten van destijds, te beginnen met het Duitse proletariaat. Bovendien zijn de bolsjewieken van mening dat gedurende een overgangsfase het behoud van een ​​grote private sector, met inbegrip van een kapitalistische in de industrie en de handel, noodzakelijk is. Maar dit vertrekschema zal in minder dan een jaar snel  opgegeven worden omdat het imperialisme en de binnenlandse contrarevolutie in een versneld tempo een politiek van buitenlandse agressie en burgeroorlog opstarten. De voorwaarden opgelegd door Duitsland bij het sluiten van de vrede van Brest-Litovsk verzwakken de Sovjeteconomie enorm. [2]

Het Verdrag van Brest-Litovsk werd bekrachtigd tussen Duitsland en Sovjet-Rusland in maart 1918. Het is een afzonderlijke vrede tussen de twee landen, terwijl de oorlog verder gaat in de rest van Europa tot en met november 1918 . De prijs die de revolutie betaalde voor vrede, is het verlies van een derde van de Russische bevolking, een derde van de landbouwgrond, de helft van de industrie en 90% van de actieve koolmijnen. Oekraïne wordt aan Sovjet-Rusland onttrokken terwijl het 75% van de kolenproductie vertegenwoordigt, 2/3 van het ijzererts, 80% van de suiker, 75% van mangaan, 90% van het graan voor export, 2/3 van het zout.

In eigen land is er een systematische sabotage van de kant van de industriële burgerij. Onder andere waar de arbeiders de arbeiderscontrole invoeren, worden ze geconfronteerd met een lock-out door de fabriekseigenaars. Weet dat één van de eerste decreten van de Sovjetmacht, de algemene mogelijkheid van arbeiderscontrole voorziet. De patronale lock-out en de wens van de arbeiders om hun patroons te zien onteigenen, brengen de Sovjetleiding ertoe om de meeste fabrieken in juli 1918 te nationaliseren.

Onder druk van de imperialistische agressie en de binnenlandse contrarevolutie, beslist de bolsjewistische leiding om over te gaan tot oorlogscommunisme door alle economische inspanningen in de ondersteuning van de oorlog te investeren, dit met een economie die al in een catastrofale situatie verkeert door de verliezen als gevolg van het Verdrag van Brest-Litovsk. Om een ​​voorbeeld te geven van wat dit betekende, in 1920 absorbeerde het Rode Leger 50% van de industriële productie, 60% van de suiker, 40% van de vetvoorziening, 90% van de mannenschoenen, 40% van de zeep, 100% van tabak.

Het zogenaamde oorlogscommunisme creëert illusies bij een deel van de bolsjewistische leiding. Aangezien de Sovjetmacht verplicht is heel de economie met ijzeren hand te leiden, kan ze niet anders dan de monetaire uitwisseling tussen de industrie en het platteland af te schaffen. Op het platteland wordt tot vordering van graan overgegaan om de steden en het leger te voeden. In de steden wordt de arbeidersklasse direct betaald in natura. Dit veroorzaakt bij een deel van de bolsjewistische leiding (Boecharin, Preobrazjenski) het idee dat men al aan het ontwikkelen is naar  socialistische vormen van uitwisseling, aangezien geld bijna geëlimineerd is.

Maar het is uiteraard een vorm van socialisme van de armoede waar hongerrantsoenen verdeeld worden. Dit is absoluut niet draaglijk op de lange termijn. En zodra op militair vlak het Rode Leger erin slaagt om de contrarevolutie te overwinnen (eind 1920 – begin 21) begint onmiddellijk een debat in de bolsjewistische leiding om een ander schema van economische ontwikkeling aan te nemen. Het is niet meer nodig alle inspanningen te richten op de oorlog, men kan zich eindelijk toeleggen op de economische ontwikkeling, meer precies op het economisch herstel. Als men de productie van de grootindustrie van 1913 gelijkstelt aan 100, dan is die in 1920 teruggevallen op 18! Het komt er dus op aan stilaan de productie opnieuw op te drijven.

In navolging van Trotski stelt Lenin de Nieuwe Economische Politiek (NEP) voor, die in feite zegt: “Nu moeten we een stap achteruit zetten. De druk waaronder we de boeren met de opeisingen etc. gezet hebben, kan niet meer doorgaan. We moeten de boeren absoluut overtuigen om de productie op vrijwillige basis te verhogen. We schaffen de opeisingen af en vervangen ze door een belasting in natura. We laten de boer toe om het overschot van de landbouwproductie te verkopen en we herstellen private handel.” Het is een stap achteruit vergeleken bij de eerste jaren van de revolutie omdat de Sovjetmacht toegevingen doet aan kleine en middelgrote particuliere boeren en particuliere handel. Lenin zelf zegt dat het een zeer gevaarlijke dynamiek zal introduceren.

Een dynamiek van private economie, een dynamiek van herstel van private accumulatie die zich zou kunnen omvormen naar kapitalistische accumulatie binnen de overgangsmaatschappij. Maar deze stap achteruit, vervolgt hij, is absoluut noodzakelijk voor een tijdelijke periode. De tijd die nodig is om het bondgenootschap tussen de arbeidersklasse en de boeren te consolideren.

Dat zijn dus, vereenvoudigd samengevat, de drie stadia van economische politiek die elkaar hebben opgevolgd vanaf 1917.

In 1921-1922 kennen we een zeer bijzondere situatie voor een maatschappij die het socialisme wil opbouwen onder de leiding van de arbeidersklasse. Ze telt in werkelijkheid slechts 1,5 miljoen industriearbeiders, terwijl het leger bestaat uit 5,5 miljoen mensen (die net gedemobiliseerd zijn).

Het ambtenarenapparaat telt bijna 6 miljoen mensen en vergeet niet dat de boeren voornamelijk bestaan uit 25 miljoen families.

De volgende tabel toont de numerieke evolutie van de landbouwgezinnen en landarbeiders , industriearbeiders, het leger en het ambtenarenapparaat tussen 1917 en 1922:

De scherpe daling van het aantal fabrieksarbeiders is te wijten aan de enorme bijdrage ervan aan de defensie-inspanningen van hun arbeidersstaat, ze zijn massaal toegetreden tot het Rode Leger.

Bovendien is een aanzienlijk deel van de arbeiders toegetreden tot het nieuwe apparaat van de Sovjetstaat. Deze zwakte van het industriële proletariaat is geen gunstig uitgangspunt voor de ontwikkeling van een socialistische maatschappij. Vooral omdat de gevolgen van de burgeroorlog, opgeteld bij die van de 1e Wereldoorlog, de bevolking van de Sovjetstaat vreselijk getroffen heeft. Bijna 8 miljoen mensen stierven tijdens de burgeroorlog waarvan meer dan 7,5 miljoen van honger, koude en epidemieën, tegenover 350.000 in gevechten. Het aantal sterfgevallen tijdens de burgeroorlog is hoger dan dat tijdens de oorlog van 14-18 in Rusland (ongeveer 7 miljoen).

Het debat over de vakbonden (1920 – 1921)

Van december 1920 tot het voorjaar van 1921 vindt in de bolsjewistische partij het debat over de vakbonden plaats. Het was naar aanleiding van dit debat, dat Lenin ertoe kwam de bureaucratische vervorming van de Sovjetstaat aan te tonen en eruit af te leiden dat de vakbonden een orgaan van verdediging van de arbeiders moeten vormen ten opzichte van die staat. Trotski was een van de hoofdrolspelers van dit debat en hij nam een ​​andere positie in dan die van Lenin die zijn latere anti-bureaucratische strijd zou verzwakken.

Onder welke voorwaarden begon dit debat? Begin 1920 is de burgeroorlog nog niet voorbij, maar heeft het Rode Leger de controle van een groot deel van het grondgebied herwonnen. Aangezien het gewicht van de oorlog is afgenomen, stelt zich de vraag van de reorganisatie van de productie. Het uitvoerend comité van de sovjets (in februari 1920) en nadien het 9e partijcongres (april 1920) besloten een ​​arbeidsdienst te organiseren en ‘legers van de arbeid’ te vormen. Het draait erom te mobiliseren, te organiseren, en de benodigde arbeidskracht te verplaatsen naar de wederopbouw. Het was Trotski die door het Politiek Bureau werd opgedragen de discussie te voeren en een deel van de uitvoering van de besluiten te verzorgen. De reorganisatie van het transport is prioritair en Trotski krijgt er in maart 1920 een nieuw ministerie bij: hij wordt commissaris voor Transport met behoud van zijn functie als commissaris voor Oorlog.

Hij toonde opnieuw zijn organisatorische capaciteiten door de spoorwegen volledig te herorganiseren en daarvoor een deel van het gedemobiliseerde leger te gebruiken. Maar om dit te bereiken, passeerde hij de traditionele vakbondsleiding door er een nieuwe te creëren. Hij wekte daardoor de tegenstand op van de vakbondsleiders en sommige arbeiders.

Geconfronteerd met de uitputting van de arbeidersklasse en de rampzalige economische situatie, stelde Trotski de militarisering van de arbeidersklasse en de vakbonden voor. Hij was van mening dat militaire discipline vereist was in de productie, waarbij afwezigheid op de werkpost beschouwd werd als afwezigheid op de gevechtspost. Hij stelde de vervanging voor van de vakbondsleiding door meer proletarische leiders met meer competentie (wat ook de mogelijkheid inhield om beroep te doen op kaders van buiten het bedrijf), die een rol als transmissieriem tussen de partij, de staat en de arbeidersklasse zouden spelen. Hij bekritiseerde de syndicalistische reflexen van onmiddellijke belangenverdediging van de arbeiders.

Aanvankelijk ondersteunde Lenin stevig de positie van Trotski. Maar geconfronteerd met het protest van de vakbondsleiders en sommige arbeiderskaders van de partij (waaraan we de ‘Arbeidersoppositie’ moeten toevoegen), realiseerde Lenin zich de grootte van de gevaren verbonden aan de positie van Trotski en begon die vanaf december 1920 krachtig te bekritiseren.

Maar hij lette erop zijn kritiek op Trotski (die gesteund werd door Boecharin en Preobrazjenski) te beperken. Hij brak geenszins zijn relaties met Trotski af, helemaal anders dan wat hij twee jaar later met Stalin deed. Lenin wist de werkelijke omvang van de meningsverschillen binnen de bolsjewistische leiding in te schatten. Herhaaldelijk zegt Lenin dat Trotski, zodra hij  bolsjewiek werd, een van de beste was! Inderdaad, Trotski leidde de opstand van oktober 1917. Hij was het die het Rode Leger, dat hij in grote mate hielp opbouwen, naar de overwinning leidde, en hij is het opnieuw die een rol van de eerste orde speelt aan het hoofd van de Communistische Internationale opgericht in 1919.

Maar terug naar het debat over de vakbonden. Volgens het standpunt van Trotski in die tijd is er geen bestaansreden meer voor het vermogen van de vakbonden om te protesteren tegen de staat, voor zover de staat aan de arbeiders behoort. Lenin antwoordt daarop dat de arbeidersstaat er een is met bureaucratische vervormingen. Bijgevolg moeten de arbeiders een middel behouden om zich te verdedigen tegen de vervormingen en de mogelijke fouten daarvan. Hij is van mening dat de vakbonden scholen van communisme moeten zijn, om de arbeidersklasse aan te vuren beter te werken, maar ook om haar te verdedigen, zonder weliswaar toevlucht te nemen tot stakingen omdat de economische situatie gevaarlijk is.

Lenin had gelijk tegen Trotski. Hij had ook gelijk tegen de ’Arbeidersoppositie’.

Trotski en de Arbeidersoppositie beriepen zich op het partijprogramma dat inhield dat de vakbonden het beheer van de economie moesten uitoefenen. Maar wat hen onderscheidde, was dat de Arbeidersoppositie een diep wantrouwen had in de bureaucratische staat en daarom de fusie tussen de overheidsinstanties en de vakbonden die Trotski voorstelde, weigerde.

Volgens de Arbeidersoppositie moesten de vakbonden aan de macht zijn en de fabrieken beheren omdat zij echt de arbeiders vertegenwoordigden in tegenstelling tot de staat die met bureaucratische vervormingen besmet was .

Maar ervoor zorgen dat de vakbonden de fabrieken beheren, is geen waarborg tegen bureaucratie; integendeel, het betekent op termijn het katalyseren van de bureaucratisering van zowel de vakbonden als de arbeidersstaat.

Als de syndicalisten beheerders worden, verliezen ze de mogelijkheid om het beheer te controleren omdat ze die zelf rechtstreeks uitoefenen en lopen ze met zekerheid het gevaar een radertje in de bureaucratie te worden. Het beheer van de fabrieken aan de vakbonden overdragen, betekent het katalyseren en kristalliseren van de bureaucratisering van zowel de vakbonden als de arbeidersstaat. Men moet een dialectische relatie behouden tussen staats- of publiek beheer enerzijds, en arbeiderscontrole anderzijds. De standpunten van Trotski, Boecharin, Preobrazjenski, Rakovski, Piatakov enerzijds en die van de Arbeidersoppositie anderzijds, stonden het behoud van een dynamiek van arbeiderscontrole niet toe.

Toch zou het verkeerd zijn om de politiek die Trotski verdedigt als bureaucratisch voor te stellen. Hij wou met dit voorstel een uitbreiding van arbeidersdemocratie mogelijk maken. Hij was van mening dat de massa’s de belangrijkste rol moesten spelen bij de wederopbouw van het economisch apparaat dat verwoest was tijdens de burgeroorlog. Het probleem was dat hij de nood niet zag om de autonomie van de vakbonden te verzekeren ten opzichte van het economisch beheersapparaat en in het algemeen ten opzichte van de staat. Een ander element dat aantoont dat de motivatie van Trotski niet bureaucratisch was, is dat hij gesteund werd door bolsjewistische leiders als Preobrazjenski, Rakovski, I.N. Smirnov die gedurende heel de jaren 20 voortdurend een strijd hebben gevoerd tegen de bureaucratie. Maar zelfs als Trotski niet vertrok van een bureaucratisch oogpunt, de posities die hij verdedigde in het debat over de vakbonden, konden de bureaucratie voeden en versnellen.

De laatste strijd van Lenin (eind 1922 – begin 1923)

In oktober 1921 verklaarde Lenin: “Het industriële proletariaat is vanwege de oorlog, het verderf en de verschrikkelijke vernietigingen, gedegradeerd … en heeft opgehouden te bestaan ​​als een proletariaat” (Verzamelde Werken, Deel 33, blz.59 ). Hij spreekt ook van een arbeidersstaat met uitgesproken bureaucratische afwijkingen en  verklaart onder andere op het 11e congres van de bolsjewistische partij (1922): “Als we de bureaucratische machine beschouwen, wie leidt er dan en wie wordt geleid? Ik betwijfel sterk of we kunnen zeggen dat de communisten leiden. Eigenlijk zijn zij het niet die leiden. Zij zijn het die worden geleid “(Verzamelde Werken, Deel 33, blz.293).

Wie leidt er dus deze bureaucratische machine? Het is de massa van ambtenaren, grotendeels afkomstig van het oude, vernietigde,  tsaristische staatsapparaat. De Sovjetmacht moest een heel  aantal specialisten en zelfs tsaristische ambtenaren behouden. Er zijn duizelingwekkende cijfers van het aandeel van tsaristische ambtenaren in delen van het nieuwe staatsapparaat.

Lenin draagt aan Stalin een studie op daarover. Dit geeft de volgende resultaten voor de regio Viatka, op 4766 vaste medewerkers zijn er 4430 die er al onder het tsarisme waren. Dit is natuurlijk een massa ambtenaren die vanuit een communistisch perspectief moeilijk te leiden is.

Eind 1922, begin 1923, begint Lenin een felle strijd over deze kwestie. In een reeks van teksten voor het Centraal Comité en de hele partij, in artikels in de Pravda, stelt hij radicale oplossingen voor om uit “het bureaucratische moeras waarin de revolutie verzand is” te geraken.

De partij: waarborg tegen bureaucratie

Ten eerste beschouwt hij de bolsjewistische partij als waarborg tegen bureaucratische afwijkingen. We moeten de partij dus beschermen tegen vervorming en hij vermeldt in een deel van zijn “testament”, geschreven eind 1922 begin 1923, dat het essentieel is om het Centraal Comité uit te breiden. Die zou moeten verdubbelen door er een paar dozijn productiearbeiders in op te nemen.

Lenin preciseerde dat die niet uit het apparaat van de sovjets (zelf gebureaucratiseerd) mochten komen, en evenmin de productie mochten verlaten hebben sinds een vastgestelde tijd.

Een aantal ‘eenvoudige’ boeren moeten eveneens opgenomen worden. Wat nodig is, zijn arbeiders producenten, communisten van de productie.

De arbeidersinspectie: te hervormen wegens gebureaucratiseerd

Ten tweede, stelt Lenin vast dat de regering en de partij duplicaten geworden zijn; hij is van mening dat ze vaak functioneren in het luchtledige en wil daarom een ​​grondige hervorming van het beheerssysteem van het land om beter de grens tussen partij en regering af te bakenen door middel van duidelijke verantwoordelijkheden en de oprichting van de betere controleorganen voor het apparaat. Lenin verklaart dat de arbeiders- en boereninspectie totaal hervormd moet worden, net als de centrale controlecommissie. Twee jaar eerder, in 1920, was die sovjetinstelling opgezet om alle bureaucratische vervormingen te onderzoeken. Iedere Sovjetburger moest klacht kunnen indienen bij deze instelling, ook tegen iedere sovjetverantwoordelijke, tot de hoogste rang. Eind 1922 stelt Lenin vast dat deze instelling van 12 000 ambtenaren onder leiding van Stalin, is uitgegroeid tot een geheel bureaucratisch orgaan; het is een bijkomend rad van de bureaucratie geworden, dat absoluut hervormd moet worden want het dient het doel niet waarvoor het was bestemd.

Lenin valt Stalin aan voor zijn fatale rol in het nationale vraagstuk

Het derde punt van reflectie van Lenin gaat over de kwestie van de nationaliteiten. Het tsaristische rijk had een reeks van onderdrukte nationaliteiten met geweld “geïntegreerd”. Zonder in detail te treden over dit punt, moet worden opgemerkt dat Lenin niet alleen het realiseren van gelijke rechten voor de onderdrukte naties, zoals de Oekraïners, Georgiërs, Tadzjieken, Oezbeken, Turkmenen Armeniërs, etc. benadrukt, maar ook de garantie van een situatie die hen toestaat zich op gelijke hoogte te hijsen met de traditioneel dominante Russische natie. Hij vindt het van essentieel belang dat de verschillende onderdrukte naties hun eigen cultuur kunnen ontwikkelen en in hun eigen taal kunnen communiceren met de centrale autoriteiten in Moskou. In deze context, was het opzetten van een Federatie van Sovjetrepublieken nodig en niet één enkele multinationale republiek. De verantwoordelijke voor de nationale kwestie binnen de partij en de staat is Jozef Stalin. Lenin treedt ermee in strijd vanaf de Georgische kwestie. Stalin was in conflict gekomen met de Georgische bolsjewistische leiding die een zekere autonomie eisten om de communistische politiek in Georgië uit te voeren. Stalin, zelf van Georgië, stuurde een van zijn “vertegenwoordigers”, Ordzjonikidze, om de Georgische leiding in de pas te doen lopen. De gebruikte methode was bijzonder brutaal aangezien Ordzjonikidze zover kwam om een Georgische communistische leider te slaan tijdens een vergadering van de leiding. Wanneer Lenin dit hoort, stuurt hij een brief naar de Georgische communistische leiding waarin hij zijn volledige solidariteit met haar uitdrukt en beslist om zich met de kern van de zaak bezig te houden. Hij schrijft een tekst die een echte veroordeling van Stalin’s methodes die hij aanduidt met de term “Groot Russisch chauvinisme.”

Op 30 en 31 december 1922 dicteert Lenin het volgende: “Een fatale rol werd gespeeld door de haast van Stalin in zijn administratieve ijver … het internationalisme van de kant van de zogenaamde grote natie (ook al is ze maar groot in haar functie als gevangenbewaarder), moet ​​niet alleen bestaan uit respect voor de formele gelijkheid der naties, maar ook in het streven naar een echte gelijkheid … door de ongelijkheid die zich in de praktijk in het leven manifesteert te compenseren. … De Georgiër (= J. Stalin, red), die neerkijkt op deze kant van de zaak, die neerbuigend beschuldigingen rondstrooit van “sociaal-nationalisme” (terwijl hij zelf niet alleen een echte, authentieke, sociaal nationalist is, maar bovendien een brutale Groot-Russische gevangenenbewaarder), die Georgiër doet daadwerkelijk afbreuk aan de proletarische klasse solidariteit … ” (Lenin, Verzamelde Werken, deel 36, blz.621, 622, editie van Moskou).

De samenstelling van de leiding

Ten vierde, Lenin beslist zich uit te spreken over de samenstelling van het Politiek bureau. Het lijkt op het eerste gezicht een beetje vreemd dat de belangrijkste leider van de partij zich tot het Centraal Comité en het hele partijcongres richt om te zeggen wat hij denkt van de andere leden van de leiding, goede en slechte punten lijkt uit te delen. Wat er op het spel staat, is voor een deel de toekomst van de partij na de dood van Lenin. Die is al verschillende maanden zeer ziek; bedlegerig schreef hij wat men weldra zijn “testament” zou gaan noemen. Hij vreest voor een splitsing in de partij na zijn dood. Gezien hij de partij als laatste garantie beschouwt tegen de gevaren van bureaucratische vervormingen van de staat, gezien de partijleiding cruciaal is, wenst Lenin zich uit te spreken over de kwestie van de samenstelling van het politiek bureau. Dit is de reden waarom hij een oordeel velt over de leden ervan en onder meer zegt dat Stalin uit de post van algemeen-secretaris van de partij moet worden verwijderd. Hij rechtvaardigt zijn standpunt door diens brutale gedrag te hekelen, nog te verdragen op persoonlijk vlak, maar onverdraagbaar van iemand in dergelijke functies. Verder spreekt hij zijn waardering voor Trotski uit: “Hij is ongetwijfeld de meest bekwame man in het huidige Centraal Comité” (Lenin, D.36, blz.345, vertaald uit het Russisch door Moshe Lewin, “Het laatste gevecht van Lenin”, blz.88), hoewel hij, aldus Lenin, zondigt door een administratieve benadering van zaken. Dit kenmerk van Trotski, voegde hij eraan toe, werd aangetoond in eerdere discussies over de vakbonden en de militarisering van de arbeid.

Ontwikkeling van de coöperatieven en culturele revolutie op het platteland

Ten vijfde, Lenin spreekt zich uit voor de oprichting en ontwikkeling van een systeem van agrarische coöperaties waarbij boeren vrijwillig zouden toetreden en de ervaring zouden opdoen van  een systeem van sociale relaties dat hen op het pad van het socialisme zet. (“Strikt genomen, blijft ons enkel over onze bevolking voldoende te “beschaven” om alle voordelen te begrijpen die een algemeen beroep op coöperatieven biedt, als voorwaarde om over te gaan naar socialisme”, dl.45, blz.370).

Voor Lenin is het coöperatieve systeem dat veralgemeend moet worden, één dat het de boeren mogelijk maakt hun producten gezamenlijk te commercialiseren. Het gaat er dus nog niet om over te gaan naar collectieve productiecoöperatieven. Lenin vervat in deze aanpak ook de lancering van een “culturele revolutie” in het achtergebleven platteland om het cultureel niveau op te trekken, maar hoedt er zich zorgvuldig voor er geen schematische en dogmatische propaganda voor het communisme van te maken. Dat was niet aan de orde, omdat de minimale materiële en culturele voorwaarden daarvoor niet aanwezig waren. (“Dit moet geenszins begrepen worden alsof we onmiddellijk zuiver communistische ideeën in het platteland binnen brengen. Zolang de materiële basis voor het communisme in de dorpen er niet is, zou het, kunnen we zeggen, meer schade dan goed aanrichten, slecht zijn voor het communisme.” (Lenin, dl.45, blz.387). Lenin staat voor een combinatie, aan de ene kant de verspreiding van de sovjet-ideeën op het platteland door groepen vrijwillige arbeiders die gevaccineerd zijn tegen paternalistisch en bureaucratisch gedrag, en anderzijds de herwaardering van de levensomstandigheden en het werk van dorpsonderwijzers.

Beperkingen van de positie van Lenin

Binnen de bolsjewistische leiding ziet Lenin dus heel scherp de gevaren van bureaucratische vervormingen en besluit om ze te bestrijden. Maar er zijn een aantal beperkingen in zijn reflectie. Voor hem is de bureaucratie de erfenis van het tsaristische verleden (het is deels fysiek waar). Hij voegde eraan toe dat als men eerst door de fase van ontwikkeld kapitalisme was gegaan, dit probleem niet zou bestaan.

Lenin vat de bureaucratie vooral op als overblijfsel van het tsaristische erfgoed, terwijl ze ook het product is van de overgangsmaatschappij zoals die is na de vernietiging van het tsaristisch apparaat. De bureaucratie heeft een functie binnen de arbeidersstaat. Laat ons, om dit te illustreren, een beeld gebruiken dat Trotski later schetste: Als zich bij tekorten een lange rij vormt aan de winkels, dan zal je een politieagent nodig hebben om haar te ordenen en die zal zich maar al te vaak als eerste bedienen …

De tweede beperking van de positie van Lenin betreft de partij. Hij is altijd voorstander geweest van een zeer levendig en democratisch debat binnen en buiten de partij. De politieke debatten tussen partijmilitanten grijpen plaats, zelfs in de pers. Dit is ook het geval in 1918. Niet alleen is er debat in de officiële partijpers, de Pravda, maar men laat ​​de bolsjewistische leider Boecharin zelfs toe om met andere leiders (Preobrazjenski, etc.), zijn eigen fractionele krant uit te geven. Het was een traditie in de bolsjewistische partij om grondige discussie als noodzakelijk te beschouwen, maar zodra de beslissing was genomen, moest ze in éénheid uitgevoerd worden.

Het probleem is dat in 1921, Lenin “draait” over de wijze van discussies voeren in de partij. Op het 10e partijcongres is er een zeer controversieel debat tussen de partijleiding en de tendens “Arbeidersoppositie”. Die laatste is in de minderheid en bestaat uit 60 van de in totaal 690 afgevaardigden. Voor het 10e congres kon de Arbeidersoppositie in de Pravda en in een andere brochure 250 000 exemplaren van haar platformtekst verdelen, hetgeen duidelijk aantoont dat het democratisch karakter van het debat belangrijk werd gevonden.

Maar op de laatste dag, toen honderden afgevaardigden al op de terugweg naar hun provincie waren, legde Lenin de volgende motie voor: “Vanaf vandaag opheffing van het tendens- en fractierecht in de partij; aangezien de Arbeidersoppositie een minderheid is en haar posities een gevaar vormen voor de arbeidersstaat, zal de verspreiding van haar standpunten binnen de partij leiden tot uitsluiting.” Hij voegde eraan toe dat twee leiders van de Arbeidersoppositie lid moeten zijn van het Centraal Comité.

Deze tekst van Lenin die met slechts 30 tegenstemmen werd aangenomen, vermeldt niet dat de afschaffing van het fractie- en tendensrecht tijdelijk is. De tekst bevat bovendien een geheime bepaling die ook groepen verbiedt, die zal later gebruikt worden voor onbeperkte tijd door de fractie rond Stalin.

Hoe deze houding van Lenin verklaren?

Hij is van mening dat de extreme spanning die zich ontwikkelt in het land – tijdens het congres vindt de opstand in Kronstadt plaats – een ​​beperking van de interne partijdemocratie vereist om blok te vormen. Ongetwijfeld beschouwt Lenin deze verandering als tijdelijk, maar hij heeft niet de voorzichtigheid het zwart op wit vast te leggen. Deze fout zal twee jaar later verschrikkelijke gevolgen hebben, wanneer de stalinistische factie de tekst van het 10e congres zal gebruiken om de oppositie van 1923 te veroordelen en daarmee haar macht over de partij te consolideren.

Trotski zal er later op terugkomen als volgt:

“Het is waar dat de bolsjewistische partij op haar 10de  congres (maart 1921) fracties verbiedt, op een moment van levensgevaar. Men kan discussiëren over de vraag of dat juist was of niet. Het verdere verloop van de evolutie toonde in ieder geval aan dat dit verbod een van de startseinen was voor de degeneratie van de partij. De bureaucratie was er snel bij om van dit idee van “fractie” een boeman te maken om de partij niet toe te staan na te denken of te ademen. Zo ontstond het totalitaire regime dat het bolsjewisme gedood heeft.” (in Het trotskisme en de Socialistische Arbeiders- en Boerenpartij, 25/07/1939. Werken, deel 21, blz. 272).

De derde beperking van Lenin  is het antwoord dat hij geeft op het probleem van het meerpartijenstelsel bij de overgang naar socialisme. Terwijl in de eerste maanden na de machtsovername Lenin en de bolsjewistische leiding in de praktijk een politiek toepassen en concepten ontwikkelen die respect voor een meerpartijenstelsel veronderstellen (de bolsjewieken vormden een regeringscoalitie met de linkse sociaal-revolutionairen van eind 1917 tot begin 1918), verandert hun houding geleidelijk in de loop van 1918 en in jaren die volgen worden alle oppositiepartijen geleidelijk verboden, zelfs onderdrukt. Het verbieden van oppositiepartijen heeft geleid tot een drastische beperking van het democratische leven in Sovjet-Unie.

Een blok Lenin – Trotski tegen Stalin?

Eind 1922, begin 1923, stelt Lenin aan Trotski voor om blok te vormen in de strijd over de gebeurtenissen in Georgië en over het nationale vraagstuk in het algemeen.

Dit voorstel van blokvorming volgt op de zichtbare toenadering tussen Lenin en Trotski die in die periode plaatsvond. Eind 1922 had Lenin herhaaldelijk binnen het politiek bureau en in brieven aan het Centraal Comité aangeduid dat hij het met Trotski eens was over de belangrijkste thema’s.

Zo leidde hij met Trotski de strijd tegen de bolsjewistische leiders – waaronder Stalin – die een einde wilden maken aan het monopolie van arbeiderssovjetstaat op de buitenlandse handel. In diezelfde periode verklaarde hij zich akkoord met Trotski’s standpunten over de tactiek die de Communistische Internationale moest volgen om de meerderheid van de arbeidersklasse te winnen. Dat komt ook tot uiting in andere elementen, aangezien Lenin op hetzelfde congres wou voorstellen het Centraal Comité [3] uit te breiden,  de Arbeiders- en Boereninspectie te hervormen en Stalin uit zijn positie te ontheffen.

Wanneer Lenin in december 1922 Trotski voorstelt om blok te vormen tegen de bureaucratie, antwoordt die dat de strijd tegen de bureaucratie moet beginnen met de afschaffing van dit kwaad in de partij en in het bijzonder in haar hoogste organen. Lenin aanvaardde vervolgens dit voorstel door Trotski op te dragen om voor hem de strijd aan te gaan op het 12de congres en door in zijn ‘Testament’ te verklaren dat Stalin uit zijn functie van algemeen-secretaris gezet moest worden.

Dat laatste voorstel was enkel bekend bij de leden van het Politiek Bureau en enkele naaste medewerkers van Lenin en Trotski. Een paar maanden later kan Lenin die volledig verlamd is niet aanwezig zijn op de 12de congres. Trotski voert de strijd niet die Lenin hem voorgesteld had.

Het zijn andere bolsjewieken, Boecharin en Rakovsky die de strijd over het nationale vraagstuk voeren. En de strijd tegen de bureaucratische afwijkingen wordt in handen genomen door Preobrazjenski, die één van de drie secretarissen van de bolsjewistische partij was.

Ter gelegenheid van de voorbereiding van het 12e congres ontstaat in het Politiek Bureau een fractioneel bondgenootschap tussen Stalin, Zinovjev en Kamenev, de beruchte trojka. Die komt regelmatig in het geheim bijeen voor de zittingen van het politiek bureau om Trotski steeds vaker in een minderheid te zetten.

Preobrazjenski was de eerste bolsjewistische leider om publiekelijk het bestaan van de trojka op het congres aan de kaak te stellen.

Tijdens de voorbereiding van het 12de congres in de lente van 1923, wilde Stalin Trotski slijmen. Omdat hij zich bedreigd voelde door het blok voorgesteld door Lenin aan Trotski, had hij voorgesteld aan het Politiek Bureau dat Trotski het centrale verslag zou maken in de plaats van de afwezige Lenin. Trotski weigerde. Overwegende dat Lenin niet kan worden vervangen, stelt hij voor dat er geen centraal verslag wordt opgesteld. Trotski neemt het verslag over de industrie op zich.

Trotski denkt dat het mogelijk is door middel van een passend economische beleid, de materiële voorwaarden te herstellen die enerzijds het industriële proletariaat moeten toestaan om haar vitaliteit te herwinnen en anderzijds de kloof tussen stad en het platteland kan dichten. Op het 12de congres spitst Trotski zich dan ook toe op de economische hervormingen, terwijl Lenin, als hij aanwezig geweest was, terecht al zijn aandacht gericht zou hebben op een reeks van politieke maatregelen – met inbegrip van de afzetting van Stalin als algemeen-secretaris –  waardoor de partij had kunnen beginnen de bureaucratische vervormingen aan te pakken.

Later beoordeelde Trotski als volgt wat het blok met Lenin of, bij afwezigheid van deze laatste, een strijd gevoerd voor zijn rekening, had kunnen geven:

“Onze gezamenlijke actie tegen het Centraal Comité, indien ze plaatsgreep aan het begin van 1923, had ons met zekerheid de overwinning opgeleverd. Meer zelfs. Indien ik aan de vooravond van het 12de congres in de geest van het “blok” Lenin-Trotski had gehandeld tegen de stalinistische bureaucratie, twijfel ik er niet aan dat ik de overwinning behaald zou hebben, zelfs zonder de directe hulp van Lenin in de strijd. Hoe duurzaam dat geweest zou zijn, dat is een andere vraag. ”

Hij gaat verder door onder meer te verklaren dat als hij de strijd zoals gewild door Lenin had gevoerd: “Mijn actie begrepen, of beter gezegd, voorgesteld kon worden als een persoonlijke strijd om de plaats van Lenin in de partij en in de staat over te nemen. Ik kon er niet aan denken zonder huiveren. Ik was van oordeel dit in onze gelederen kon leiden tot demoralisatie waarvoor we achteraf duur zouden betalen, zelfs in het geval van een overwinning.” (Mijn Leven, blz. 554-555)

Op het congres van maart 1923 verklaart Trotski in zijn toespraak dat hij zich kan vinden in de lijn van het Politiek Bureau, daardoor neemt hij afstand van de tussenkomsten van de oppositie. Trotski gebruikt sterke formuleringen over de dictatuur van het proletariaat en de rol van de bolsjewistische partij: “We hebben in 1917 unaniem gevochten voor de dictatuur van de partij, vandaag zullen we vechten tegen elke poging om het monopolie van de leiding te breken op alle niveaus.” (Trotski, De anti bureaucratische strijd in de USSR, deel 1, blz.77, 10/18).

Deze formule werd door Lenin zelf aangenomen in 1922. Zelfs als ze voor Trotski en Lenin niet dezelfde betekenis heeft als voor Stalin (die deze analyse in zijn voordeel zal hernemen met de steun van Zinovjev in 1924-1925), is ze  een slechte opvoeder voor de partij en gevaarlijk in de mate dat zelfs als het waar is dat de partij de voorhoede van het proletariaat verbonden met de boeren vertegenwoordigt, het niet minder waar is dat de heerschappij ingesteld in oktober 1917 uitgeoefend werd door de arbeiders- en boerenraden waarin de bolsjewistische partij een meerderheid behaald had. Een van de verschrikkelijke gevolgen van de burgeroorlog na oktober 1917, is de daling van de activiteit van de sovjets (niet de bedoeling van de bolsjewieken) en de overdracht van de macht aan de partij. De formule gebruikt door Trotski (en Lenin een beetje eerder) benadrukte onvoldoende het feit dat de uitoefening van de macht door de partij een uitvloeisel was van de Burgeroorlog en niet van oktober 1917.

Trotski gaat in het offensief tegen de bureaucratisering van de partij (najaar 1923)

Na het congres van maart 1923 wint de oppositie in de bolsjewistische partij aan kracht, nog steeds in afwezigheid van Lenin, die ziek is.

In juli-augustus-september 1923 grijpen stakingen plaats en neemt de agitatie in de bolsjewistische partij toe. Ze wordt vooral geleid door leden van de voormalige Arbeidersoppositie en Democratisch Centralisme (de zogenaamde Decisten), door de ‘Arbeidersgroep’ en ‘de Waarheid van de Arbeiders’. Dit brengt Dzerzjinski – hoofd van de GPU (later KGB geworden) – , die Lenin tevergeefs had voorgesteld te straffen voor zijn fatale rol in de Georgische affaire, ertoe om aan het CC in september voor te stellen om te kunnen optreden tegen leden van de partij die zich in de partij schuldig zouden maken aan strijd tegen de lijn van de leiding. Trotski beslist de strijd aan te gaan en schrijft de 8ste oktober 1923 een lange brief aan het CC waarin hij verklaart dat het voorstel van de Dzerzjinski weerspiegelt in welke mate de situatie in de partij verslechtert en hij specifieert: “Veel, veel leden van de partij, zo niet de meeste, zijn gealarmeerd door de werkwijzen en procedures gebruikt tijdens de voorbereiding van het 12de congres.” Hij vervolgt door te stellen dat de economische voorstellen die hij had voorgesteld op dit congres en er aangenomen waren, niet toegepast zijn. Hij legt de gevolgen ervan uit: diepe ontevredenheid van de boeren die vervolgens de arbeiders heeft aangetast, hetgeen de ontwikkeling van oppositiegroepen voedt.

Trotski stelt vervolgens de werking van de partij in vraag door het organisatiebureau geleid door Stalin aan te klagen: “Wanneer besluiten genomen worden over benoemingen, ontslagen en overplaatsingen, worden partijleden in de eerste plaats beoordeeld vanuit het oogpunt van de steun die ze al dan niet kunnen aanleveren voor het interne regime dat in het geheim, niet officieel , maar zeer efficiënt geïnstalleerd werd door het organisatiebureau en het secretariaat van het Centraal Comité.” (…) “De bureaucratisering van het partijapparaat heeft ongekende proporties bereikt via de selectie van secretarissen” (…) “Er is een zeer grote laag van partijfunctionarissen gecreëerd, die behoren tot het staatsapparaat of dat van de partij, die helemaal de idee hebben opgegeven om persoonlijke meningen te hebben of op zijn minst om ze te uiten, alsof ze geloofden dat de hiërarchie van het secretariaat het juiste gereedschap was om de standpunten van de partij te bepalen en de beslissingen te nemen. Onder die laag, die zich onthoudt van persoonlijke meningen, bevindt zich de grote laag van de massa van de partij die elke beslissing verneemt onder de vorm van een oproep of een bevel. In die basis van de partij, heerst een buitengewone mate van ontevredenheid, soms legitiem, in andere gevallen veroorzaakt door toevallige factoren. Deze ontevredenheid wordt niet gestild door een open uitwisseling van meningen op vergaderingen van de partij (in de verkiezing van partijcommissies, secretarissen” enz.), maar blijft in tegendeel in het geheim voortwoekeren en leidt soms tot interne abcessen.”

Trotski stelt voor wat later een ‘nieuwe koers’ voor de partij genoemd zal worden: “De democratie in de partij moet genieten van de plaats die haar toekomt om de partij te vrijwaren voor de dreiging van verstarring en degeneratie. De basismilitant van de partij moet zijn ontevredenheid binnen de principes van de partij als een verantwoordelijk lid van de partij uitdrukken.”

Hij komt er dan toe om aan te kondigen dat hij van nu af aan zijn meningsverschillen buiten het Centraal Comité zal uitdrukken: “De leden van het CC en van de centrale controle commissie weten dat ik, tijdens mijn resolute en ondubbelzinnige strijd tegen de verkeerde politiek, bewust vermeden heb die strijd in het Centraal Comité ter beoordeling voor te leggen aan zelfs maar een zeer kleine laag van kameraden. (…) Ik ben gedwongen vast te stellen dat mijn inspanningen van de afgelopen 18 maanden geen enkel resultaat hebben opgeleverd. (…) Ik denk dat het niet alleen mijn recht maar mijn plicht is om de werkelijke situatie kenbaar te maken aan elk lid van de partij dat ik als voldoende voorbereid beschouw, voldoende volwassen en in staat tot terughoudendheid om bijgevolg in staat te zijn de partij te helpen bij het zoeken van een ​​uitweg uit deze impasse zonder fractionele stuiptrekkingen en zonder oproer.” (Trotski, 8/10/1923)

Zo neemt Trotski het initiatief om een ​​offensief tegen de bureaucratie binnen de partij te lanceren, een offensief dat hij besluit samen te voeren met andere kaderleden van de partij. Tegelijkertijd maakt hij een zelfkritiek die niet louter tactisch was, en waaraan veel van zijn biografen niet het belang hebben verleend, die ze zonder twijfel in de geest van haar auteur wel had: hij verklaart dat de houding die hij gedurende 18 maanden in de partij heeft ingenomen, geen enkel resultaat heeft opgeleverd (zie bovenstaand citaat).

Wat zijn de factoren die Trotski aanzetten om van houding te veranderen?

Ten eerste, de omvang van de ontevredenheid van de arbeiders (talrijke stakingen) en de ernst van de repressieve maatregelen die resulteerde in de gevangenneming van honderden militanten, waarvan sommige een paar maanden eerder uit de bolsjewistische partij werden uitgesloten.

Ten tweede, de hoop op een zo lang verwachte overwinning van de Duitse revolutie. Een opstand is gepland in Duitsland voor eind oktober 1923 en als het blok Stalin-Zinovjev-Kamenev zich krachtig verzet heeft tegen de vraag van de Duitse communistische leiding om Trotski op het terrein te sturen, neemt dat niet weg dat de twee gestuurde sovjetvertegenwoordigers Radek en Piatakow, hem zeer nabij zijn. Trotski hoopt dat een Duitse overwinning een sterke opleving van het revolutionaire enthousiasme van de jeugd en van de sovjet-arbeidersklasse zal toestaan, noodzakelijke voorwaarden voor een ingrijpende verandering in de koers van het regime van de bolsjewistische partij.

Een week na de brief van Trotski, wordt een vertrouwelijk document getekend door 46 van de belangrijkste  bolsjewistische kaders, waaronder Preobrazjenski, voormalig partijsecretaris, Piatakow, een van de meest veelbelovende elementen volgens Lenin’s Testament, Antonov Ovseenko, een van de organisatoren van de opstand van 1917 …  verstuurd naar het politiek Bureau. Veel van de ondertekenaars zijn in het recente verleden nauw verbonden geweest met Trotski, anderen maakten deel uit van de voormalige oppositie van Decisten. De 46, waaraan drie Sovjetleiders op missie in het buitenland mogen toegevoegd worden, Rakovski, oude bolsjewiek, de leider van de Oekraïense Republiek, Radek, leider van de Communistische Internationale en Krestinsky, voormalig secretaris van de partij, vragen de bijeenroeping van een buitengewone conferentie van het Centraal Comité uitgebreid met “de belangrijkste en meest actieve arbeiders in de partij.” De 46 stellen de meerderheid van het Politiek Bureau in vraag omwille van haar rampzalige economische politiek en het bureaucratische regime opgelegd aan de partij.

Het debat over de nieuwe koers (december 1923 – januari 1924)

De gemeenschappelijke reactie van de trojka Stalin-Zinovjev-Kamenev neemt twee vormen aan: een felle veroordeling van de brief van Trotski en van de “46”, in combinatie met een toegeving. Die toegeving, de wortel, komt tot uiting in de lancering van een publiek debat in de Pravda om de toepassing van arbeidersdemocratie in de partij toe te staan. Van de kant van de stok: binnen de partijorganen wordt Trotski ervan beschuldigd “een persoonlijke dictatuur te willen uitoefenen op militair en economisch vlak” en zijn meningsverschillen met Lenin uit het verleden worden op vervalste manier vermeld.

De 46 worden door het uitgebreid CC van 25 oktober 1923 veroordeeld voor het vormen van een fractie (verboden sinds de 10de congres).

In een nieuwe brief aan het CC, antwoordt Trotski stevig op de kritieken op hem door te wijzen op de toenadering tussen Lenin en hemzelf eind 22, begin 23. Aan de wortel kant: zoals eerder vermeld, opening van een openbaar debat als een veiligheidsklep voor de onvrede in de partij. Dit debat leidt tot een verhoogde belangstelling van de partijbasis voor de discussies. De verwachtingen zijn hoog: daarvan getuigt het feit dat in november-december 1923, de oplage van de Pravda, waarin dagelijks  een breed forum van discussie verschijnt, verdubbelt. In het openbaar wordt geen melding gemaakt van de brief van Trotski aan het CC, noch van ​​die van de 46. Dit geeft de valse indruk dat het Politiek Bureau het debat over arbeidersdemocratie binnen de partij is gestart zonder onder druk gezet te zijn. In feite opent de trojka het debat om het te kanaliseren.

Eind november radicaliseert het debat: in de Pravda van 28 november 1923 drukt Preobrazjenski de kritieken van de 46 uit. Bovendien vindt de oppositie in de algemene vergaderingen van de basis van de partij in Moskou groot gehoor.

De discussie van november-december 1923 vindt een grote weerklank in de partijpers (dit zal de laatste keer zijn voor de stalinistische nacht). Tot medio december 1923 kan de sovjetlezer in de Pravda de exacte inhoud van de discussies in de vergaderingen van de partij in Moskou volgen. De interventies van de woordvoerders van de oppositie en de artikels van Trotski worden in het lang en het breed hernomen net zoals de posities van de trojka en haar aanhangers. Vanaf 11 december 23 verandert dat: in het verslag van een bijeenkomst die in Petrograd plaatsvond, worden enkel de tussenkomsten van de trojka opgenomen. Die is er net in geslaagd de Pravda [4] in de pas te doen lopen en de twee jonge verantwoordelijken voor de discussierubriek geven uit protest hun ontslag. Daarna worden andere artikels van Trotski die zijn reeks over de Nieuwe Koers aanvullen wel gepubliceerd, maar geflankeerd door artikelen die fel tegen hem gekeerd zijn en de standpunten van de trojka vertolken zonder dat ze noodzakelijk ondertekend zijn. In het begin van januari 1924 protesteren Trotski, Radek en Piatakov heftig tegen deze verandering die de verharding van de trojka weerspiegelt. Die heeft enerzijds de maat genomen van het grote publiek dat de oppositie verworven heeft, ook al heeft zij enkel in Moskou de middelen om krachtig tussen te komen, en anderzijds beseft ze het gevaar dat de houding van Trotski voor haar betekent, een gevaar dat nog veel groter kan worden indien die zich publiek zou verbinden met de 46.

Daarom heeft de Trojka er tot 11 december 1923 alles aan gedaan om deze verbinding te voorkomen. Men kan vrij gemakkelijk, op basis van de Pravda, de evolutie van de houding van de protagonisten van het debat opnieuw nagaan. Op 3 december 1923, in een volkswijk van Moskou, verklaart Stalin dat de strijd tegen de bureaucratie binnen de partij gevoerd moet worden. Om het gras onder de voeten van Trotski en de 46 te maaien, benadrukt hij met name de noodzaak om een einde te maken aan benoemingen van bovenaf en opnieuw het principe van verkiezingen in te voeren. Daarmee breekt hij met het standpunt dat hij heeft ingenomen op het 12de congres van het voorjaar van 1923, waarin hij zei dat naast het vervormde bureaucratische staatsapparaat, de partij gezond bleef. Hij bevestigt ook dat de standpunten van Trotski en de rest van Politiek Bureau identiek zijn; hij richt zich vooral tegen de 46.

Op 5 december 1923 aanvaardt het Politiek Bureau een tekst geschreven door Trotski (met Boecharin naar het schijnt), geamendeerd door Stalin en Kamenev, waarin de leiding de noodzaak van een nieuwe koers aankondigt om het intern regime van de partij te veranderen. Stalin in het bijzonder drong erop aan dat een dergelijke tekst zou aangenomen worden en hij aanvaardde om een reeks van punten die Trotski ontwikkelde sinds oktober 1923 voor zijn rekening te nemen. Stalin is van mening dat met de aanvaarding van dit document dat de volgende dag in Pravda gepubliceerd werd, hij erin geslaagd is Trotski los te weken van de 46, en zelf over te komen als diegene die de Nieuwe Koers begeleidt.

Trotski, ondertussen, ziet er een overwinning voor de voorstanders van verandering in. Maar om de geloofwaardigheid van de overeenkomst met de trojka na te gaan, stuurt hij op 8 december naar een vergadering van de partij in Moskou een brief waarin hij zijn visie op tekst van het Politiek Bureau uitdrukt. Deze brief, gepubliceerd op 11 december, heeft het effect van een bom, omdat die het gevaar uitlegt dat de bureaucraten doen alsof ze verandering aanvaarden om die beter tegen te houden:  “En nu zijn de bureaucraten formeel bereid om ‘kennis te nemen’ van de ‘Nieuwe Koers’, dat wil zeggen, om hem zo goed als te begraven.”

Op die manier valt hij Stalin expliciet aan die op 3 december verklaarde dat de Nieuwe Koers hoofdzakelijk een kwestie is van nieuwe pedagogie. Trotski meent daarentegen “dat het probleem niet vanuit pedagogisch, maar vanuit politiek oogpunt moet aangepakt worden. Men kan de toepassing van arbeidersdemocratie niet afhankelijk maken van de mate van “voorbereiding” van de partijleden erop. Onze partij is een partij. We kunnen strenge eisen stellen aan degenen die willen aansluiten en lid willen blijven, maar wie eenmaal lid is, neemt meteen deel aan al haar activiteiten.” Hij voegt eraan toe: “Het is nodig om het partijapparaat te regenereren en te vernieuwen en het te laten voelen dat het slechts de uitvoerder is van de wil van het collectief.” Hij stelt de resolutie van 5 december voor als een breuk met het recente verleden, terwijl de trojka ze wil voorstellen als het logische gevolg van de beslissingen van het CC van oktober 1923. Wat vooral onderwerp zal worden van een zeer harde polemiek, is dat Trotski in zijn brief zegt dat er een gevaar van degeneratie bestaat van de oude bolsjewistische garde die een vergelijkbare evolutie zou kunnen doormaken als de leiding van de Tweede Internationale aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog.

In de dagen na de goedkeuring van de resolutie van 5 december door het Politiek Bureau, worden meerdere algemene wijkvergaderingen gehouden in Moskou. Trotski kan niet aanwezig zijn omdat hij erg ziek is sinds eind oktober (de vergaderingen van het Politiek Bureau moeten trouwens doorgaan in zijn appartement in het Kremlin). De woordvoerders van de 46, die deze vergaderingen bijwonen steunen de resolutie van 5 december en de belangrijkste punten van de brief van Trotski. De oppositie slaagt erin om een zeer ​​grote meerderheid te winnen in een reeks van grote bijeenkomsten in Moskou. In één ervan krijgt Kamenev die spreekt voor het Centraal Comité  slechts 6 stemmen, tegen een overweldigende meerderheid in het voordeel van Preobrazjenski. Twee derde van de bolsjewistische cellen in het Rode Leger in Moskou stemt voor de oppositie. Een groot deel van de leiding van de Communistische Jeugd en de cellen van de hogescholen, voornamelijk samengesteld uit jonge arbeiders met een beurs, ondersteunen eveneens de oppositie. In de fabriekscellen van Moskou was de oppositie daarentegen in de minderheid. Op een totaal van 346 ondersteunden 67 cellen haar (we weten niet welk percentage de oppositie behaalde in de cellen waar ze in de minderheid was). Zoals historicus E.H.Carr opmerkt: “Het falen van de oppositie in de arbeidersklasse, toonde niet alleen de zwakte van de oppositie maar ook die van het proletariaat zelf” (in “interregno” blz 327). In feite is het sovjetproletariaat in 1923 nog maar een schaduw van wat het was geweest bij het nemen van de macht in 1917.

In totaal behaalde de oppositie 36% van de stemmen in de basisorganen van de partij in Moskou. Dit is indrukwekkend als je bedenkt dat de trojka zich zelf voorstander van de Nieuwe Koers verklaarde en tegelijk de oppositie virulent aanviel om haar fractioneel karakter, en als we weten de aanhangers ervan bedreigd werden met overplaatsing of zelfs uitsluiting. De trojka liet het trouwens niet lang bij bedreigingen: Antonov-Ovseenko, politiek verantwoordelijke van het Rode Leger en oppositieaanhanger wordt afgezet en 15 leiders van de Communistische Jeugd ondergaan hetzelfde lot of worden naar het platteland overgeplaatst. Een paar maanden later zal een golf van uitsluitingen andere leden en aanhangers van de oppositie treffen.

Toen het 13de partijcongres midden januari plaatsgreep, was de trojka al zeker van een overweldigende meerderheid. Ze had de overhand behouden in de landelijke organisaties, behalve in Ryazan, Penza, Kaluga, Simbirsk en Cheliabinsk waar de oppositie een meerderheid won dankzij de aanwezigheid van oppositiekaders die er naartoe gestuurd waren toen ze enkele maanden eerder waren weggestuurd uit Moskou.

Welke balans van de discussie over de “Nieuwe Koers”?

Ten eerste bleek het controlesysteem van de bureaucratie op de partij zeer efficiënt, het werd dooreen geschud tijdens de discussie, maar hield stand.

Ten tweede bleef de golf van terugval in de partij, die een tijdje gekeerd werd door het vooruitzicht van een overwinning in Duitsland – en in mindere mate door de opening van het debat in november 1923 – zeer sterk.

Ten derde, de standpunten van Trotski en de 46 kwamen grotendeels overeen, zowel in termen van de vereiste veranderingen aan het interne regime van de partij als op economisch vlak. De beperkte omvang van deze studie staat niet toe de economische voorstellen van de oppositie in detail te bespreken. Niettemin benadrukken zowel Trotski als Preobrazjenski en Piatakov de noodzaak om de genationaliseerde industrie planmatig te ontwikkelen binnen het kader van de Nieuwe Economische Politiek. Dit kwam overeen met een bezorgdheid van Trotski vanaf het jaar 1922 en waarmee Lenin uiteindelijk zeer duidelijk zijn akkoord had uitgedrukt (zie Deel 45 van zijn werken over het Gosplan). Trotski, Preobrazjenski en Piatakov benadrukten dat bij het ontbreken van een dergelijke geplande ontwikkeling, de Nieuwe Economische Politiek perverse neveneffecten zou genereren, hetgeen de  trojka en Boecharin ontkenden. Het is duidelijk dat de economische ineenstorting van de late jaren 1920 vermeden had kunnen worden als de lijn van de oppositie door de partij was aangenomen

De strijd gevoerd door Trotski en de 46 is het eerste gezamenlijke openbare offensief van een lid van het Politiek Bureau en een indrukwekkende lijst van partijkaders tegen de stalinistische fractie en haar bondgenoten. Isaac Deutscher betwist in zijn aangrijpende biografie over Trotski  ten onrechte het verband tussen Trotski en de 46. Een andere gezaghebbende historicus EH Carr stelt terecht dat de brief van Trotski van 8 oktober 1923, onmogelijk niet het onderwerp van overleg was geweest met de leiders van de 46. Maar hij benadrukt onvoldoende het feit dat de  46 zich zonder reserve baseerden op de posities van Trotski van oktober 1923 tot januari 1924. Het lezen van hun eigen openbare tussenkomsten laat er nochtans geen twijfel over bestaan (zie Preobrazjenski, Sapronov, Piatakov , op. cit.). Pierre Broué geeft in zijn recente boek ‘Trotski’ een correcte weergave van de gebeurtenissen.

Op een vraag hanteren Preobrazjenski en Trotski nochtans een andere tactiek (die Broué niet aanhaalt). De eerste stelt het schrappen voor van het verbod op fracties en groepen beslist door het 10de congres. Hij stelt dat de uitoefening door de leden van het recht om een ​​groep te vormen die hetzelfde type van voorstellen verdedigt, het bestaan ​​van geheime groeperingen kan tegengaan, die vooruitgang van het debat belemmeren en hun positie vastklinken op basis van groepsloyauteit. Hij stelt dat deze groepen, als ze mochten bestaan, slechts een tijdelijk karakter zouden hebben –de tijd waarop de voorbereidende discussie vindt plaats van deze of gene conferentie of congres  – en dat hun samenstelling zou variëren afhankelijk van het debat, de onderwerpen, …

Trotski was het fundamenteel eens met het standpunt van Preobrazjenski, maar toch is het zo dat hij niet voorstelt om het verbod op groepen en tendensen te beëindigen. Stalin daarentegen stond erop hun verbod te herbevestigen, wat hem ertoe brengt een maneuver uit te halen tegen Trotski bij het opstellen van de tekst van het Politiek Bureau van 5 december. Stalin zelf zal later vertellen: “Kameraad Kamenev en ikzelf brachten op beslissende wijze het probleem van de groepen aan. Kameraad Trotski protesteerde door een ultimatum te stellen, in die omstandigheden zou hij de resolutie niet stemmen. Daarom hebben we ons beperkt met verwijzen naar een deel van de resolutie van het 10de congres dat Trotski bij deze gelegenheid wellicht niet herlas en waarin werd vermeld dat niet alleen fracties verboden waren, maar ook groepen.” (Stalin, in Carr geciteerd,  cit., blz. 304)

Trotski, of hij nu al dan niet voor de gek was gehouden, had sowieso besloten niet expliciet de strijd te voeren om de beslissing van het 10de congres te beëindigen.

Hij dacht wellicht dat het onmogelijk zou zijn om een ​​meerderheid te behalen over dit zo gevoelige onderwerp. Ook al omdat dit door de Trojka voorgesteld zou worden als het in vraag stellen van een door Lenin gewenste maatregel. Niettemin verminderde  het feit dat de oppositie zich niet officieel als groep kon organiseren haar mogelijkheden om meer aanhangers te winnen.

Een andere tactische kwestie was het onderwerp van een controversiële beoordeling.

Het gaat over de wenselijkheid voor Trotski om de tekst met de trojka van de Politiek Bureau te ondertekenen op 5 december. Carr, bijvoorbeeld, ziet er het bewijs in dat Trotski genoegen neemt met een overwinning op papier, terwijl Stalin en zijn bondgenoten niet bereid zijn om hun engagementen na te komen. Deze kritiek lijkt niet terecht want hoe anders verklaren dat als hij genoegen nam met de tekst, Trotski bijna onmiddellijk besloot een ​​openbare brief op te stellen over zijn versie van de overeenkomst. Sterker nog, ik denk dat bij deze gelegenheid, Trotski een cruciale les geleerd heeft van het debat over de Georgische kwestie, hij neemt geen genoegen met een compromis, zelfs als het voor 90% goed is en blijft openbaar het offensief voeren om een ​​echte verandering van het regime te bekomen. Door dit te doen, vermijdt hij het door de Trojka gewenste isolement van de 46. Van hun kant baseren de woordvoerders van de 46 zich sterk op deze tekst, ze gaan ervan uit dat die hun positie versterkt (zie de interventies van Preobrazjenski, Sapronov, Piatakov van december 23 en januari 24 overgenomen door New Park Publications) .

Niettemin heeft deze tactiek van Trotski haar keerzijde: de tekst van 5 december geeft de indruk dat er nu een akkoord is in het Politiek Bureau, dat de trojka inderdaad bereid is om de Nieuwe Koers toe te passen. Stalin beslist de situatie maximaal te benutten. Een moment geïrriteerd door de houding van Trotski op 8 december, past Stalin zijn tactiek aan: in een artikel in Pravda van 15 december stelt hij voor het eerst publiekelijk Trotski aan de kaak door hem zijn dubbelzinnigheid te verwijten. Na hem ervan te beschuldigen de jongeren tegen de ouderen te willen opzetten, besluit Stalin zijn artikel als volgt “wie heeft baat bij de misdaad?”

“Waarom deze poging om de oude garde in diskrediet te brengen en demagogisch de jongeren te flatteren, tenzij  om een ​​scheur te creëren en dan uit te breiden tussen deze twee belangrijkste detachementen van onze partij? Wie kan dit dienen, als men enkel de belangen van de partij voor ogen heeft, haar eenheid, haar samenhang, zonder te proberen om deze eenheid in het voordeel van de oppositie te ondermijnen? Is dit hoe we het Centraal Comité en haar resolutie, die overigens unaniem werd aangenomen, over democratie binnen de partij verdedigen? Het is voor het overige duidelijk dat Trotski dit doel niet voor ogen had toen hij zijn brief aan de partijconferenties richtte. Het is duidelijk dat zijn bedoelingen elders lagen: diplomatieke steun verlenen aan de oppositie in haar strijd tegen het Centraal Comité van de partij en dat terwijl hij beweert de resolutie van het Centraal Comité te verdedigen. Dat verklaart, om het zo te zeggen, de dubbelzinnigheid in de brief van Trotski. Trotski vormt blok met de Democratisch Centralisten en een deel van de “linkse” communisten”: Dat is de politieke betekenis van zijn brief.” (in Pravda Nr. 285, 15 december 1923. Ondertekend: J. Stalin).

Men kan zich eindeloos afvragen of een andere tactiek van Trotski mogelijk was geweest eind 1923. Men kan zich een ander scenario inbeelden. Ten eerste had Trotski publiek en nadrukkelijk het voortouw kunnen nemen van de oppositie van de 46 en de opheffing van het verbod op groepen kunnen voorstellen.

Hij had ook kunnen weigeren om een ​​tekst met de trojka te ondertekenen. De keuze tussen twee opinies en twee groepen van leiders zou duidelijker geweest zijn. Maar het is niet vanzelfsprekend dat een dergelijke tactiek doeltreffender geweest was en dat om meerdere redenen. De eerste is dat de oprichting van een dergelijke formele groepering van de oppositie zou zijn veroordeeld en bestraft als fractioneel door het Centraal Comité … De tweede is dat noch Trotski, noch de 46 het aangewezen vonden om een alternatieve leiding voor te stellen, ze hebben zelfs verklaard geen verandering van de samenstelling van de leiding te willen. De derde reden is dat in ieder geval de meerderheid van het Politiek Bureau, de geheime trojka, zich voorgesteld zou hebben als waarborg voor de eenheid van de partij, als de beste vertegenwoordiger van de oude garde en zou verklaard hebben eveneens interne democratie te willen … behalve voor groepen, fracties, kortom alles wat een gevaar zou kunnen vertegenwoordigen voor splitsing van de partij. Om zich een ​​oordeel te vormen over de houding van Trotski, moet men ook rekening houden met het feit dat geen enkele leider van de 46 hem bekritiseerd heeft voor zijn houding. Integendeel.

De dood van Lenin

De laatste tussenkomst van Lenin in de partij dateert uit het eerste kwartaal van 23. Zijn afwezigheid zal ernstige gevolgen hebben voor de partij. Zijn dood, de 21ste  januari 24, kwam er een week na de nederlaag van de oppositie. De afscheidsceremonie van het stoffelijk overschot zal zeer symbolisch zijn. Stalin is erin geslaagd om Trotski te verhinderen om deel te nemen. Terwijl Trotski, op advies van de artsen van het Kremlin en het Politiek Bureau, op weg is naar het zuiden, meldt Stalin hem het nieuws van de dood van Lenin door een verkeerde datum voor de begrafenis op te geven om hem te overtuigen van de onmogelijkheid tijdig terug te kunnen keren naar Moskou. In afwezigheid van Trotski stelt zich de gelegenheid voor de leden van de trojka om zich voor te stellen als de enige voortzetters van Lenin. De vorm van de ceremonie is volledig in tegenspraak met de wil van Lenin. De trojka heeft immers besloten hem te balsemen.

Dit is het begin van een cultus rond de overledene waarbij hij, onder het voorwendsel om zijn strijd voort te zetten, volledig vervormd wordt met als bedoeling de tactische keuzes van de trojka te rechtvaardigen (de toespraak van Stalin op het tweede congres van de Sovjets is daarvoor ontluisterend, geciteerd door Deutscher in zijn “Stalin” blz. 333).

Nu Lenin dood is, komt het zijn weduwe toe, aan wie hij zijn tekst heeft overgemaakt over de samenstelling van de leiding (geschreven in twee tijden: in december 1922 / januari 1923) en bekend als zijn “testament”, er de publicatie van te vragen voor het volgende congres. In afwezigheid van Trotski, beslist het Politiek Bureau de tekst niet mee te delen, maar niet zonder zich in te dekken bij het Centraal Comité voorafgaand aan het congres van mei 1924. De tekst wordt dus medegedeeld aan het Centraal Comité. Hij heeft het effect van een bom op haar leden die nochtans  grotendeels achter de trojka staan. Volgens een getuige van de scène, verklaarde Zinovjev: “Kameraden, elk woord van Ilyich (Lenin) is wet voor ons. We hebben gezworen om alles wat de stervende Lenin ons heeft opgedragen te doen (…) Maar we zijn blij om te zeggen dat, op een punt, Lenin’s zorgen ongegrond gebleken zijn. Ik heb het over de zaak van onze algemeen secretaris.” (Bazhanov geciteerd door Deutscher, citaat blz. 335). Daarna wordt besloten, ondanks een aanzienlijke minderheid (waaronder de weduwe van Lenin, Kroepskaja), de tekst niet mee te delen aan het Congres. Men zal 60 jaar moeten wachten opdat het Sovjetpubliek langs officiële weg de inhoud van het zogenaamde testament kan vernemen. Trotski zweeg tijdens de discussie, hij gelooft niet dat de openbaarmaking van de tekst de situatie zou kunnen veranderen.

De houding van Lenin en Trotski tegenover de bureaucratisering

Vooraleer tot een kritische analyse van de houding van Trotski in 1923 over te gaan, acht ik het noodzakelijk de balans op te maken van Lenins houding in zijn laatste gevecht. Hij besloot eind 1922- begin 1923, zoals we hebben gezien, een heuse oorlogsmachine op te zetten om de stalinistische fractie en haar bondgenoten te doen ontsporen, met als hoogtepunt de afzetting van Stalin als algemeen secretaris. Hij heeft bovendien een reeks hervormingen van de organen van de leiding van de partij en de staat op het oog. Tenslotte is hij van mening dat Trotski een sleutelpositie moeten innemen in de leiding van de arbeidersstaat (hij stelt hem voor vicevoorzitter van de Raad van Volkscommissarissen te worden, hetgeen normaal gesproken het voorzitterschap zou betekenen in het geval Lenin zou verdwijnen).

Bijgevolg verklaart hij aan de partijleiding dat hij blok vormt met Trotski. Lenin doet dit na het herzien van zijn houding over de taakverdeling binnen het Politiek Bureau (overheersende rol van Stalin in de afwezigheid van Lenin dankzij zijn controle over het organisatiebureau) en in de leiding van de staat.

Niettemin was het Lenin zelf die Stalin aan de posten die hij bekleedde had geholpen, waardoor hij in staat was zijn fractie samen te stellen door haar op een reeks sleutelposities te plaatsen. Ook moet worden herinnerd dat Lenin het verbod op fracties en tendensen had verkregen op het 10de congres zonder er de duur van te vermelden. Lenin mag uiteraard niet verantwoordelijk gehouden worden voor de creatie en consolidatie van de stalinistische fractie. In zijn laatste gevecht steekt Lenin al zijn energie in de anti-bureaucratische strijd.

Stalin en het stalinisme zijn de antithese van het denken en handelen van Lenin.

In verschillende zeer sterke teksten, komt Trotski op zelfkritische wijze terug op zijn verleden als verzoener voor 1917 (zie met name Cahiers Leon Trotsky in juni 1988), maar hij komt er niet terug op zijn houding in de eerste helft van 1923. Ik denk niettemin dat hij ook in het voorjaar van 1923 ten onrechte te verzoenend was tegenover de stalinistische fractie en haar conjuncturele bondgenoten (Kamenev-Zinovjev tot 1925). Had een andere houding de loop van de geschiedenis kunnen veranderen? Het is heel moeilijk om deze vraag bevestigend te beantwoorden, maar ik ben er echter van overtuigd dat de strijd van de oppositie in 1923 onbetwistbaar sterker had gestaan als Trotski op het congres van het voorjaar 1923 de strijd openlijk was aangegaan.

Wat hij niet gezien heeft tijdens het debat over de Georgische kwestie van de lente van 1923 (hij heeft het daarentegen door in december 1923), is dat de trojka zich slechts tijdelijk inhoudt en dan enkel maar om haar positie te versterken. In het voorjaar van 1923 was Lenin voorstander van een ander gevecht. Trotski wist dat, maar hij had er de volle betekenis niet van begrepen. Lenin weigerde tot een akkoord te komen met Stalin over de Georgische en over andere kwesties. Hij wilde hem een totale politieke nederlaag doen leiden en een sanctie opleggen door een organisatorische beslissing: zijn afzetting. Lenin had op verschillende beslissende momenten in de geschiedenis van de partij politieke problemen organisatorisch weten oplossen. Trotski begreep op dat moment dit vitale aspect van de politieke strijd niet.

Was de afzetting van Stalin mogelijk in de afwezigheid van Lenin? Dat is moeilijk te beantwoorden. Maar de strijd verdiende het gevoerd te worden. Als men Stalin had kunnen afzetten als algemeen-secretaris, dan zou dat de anti-bureaucratische strijd vergemakkelijkt hebben. Ze zou daarom nog niet gewonnen zijn want Stalin was (zoals Trotski later heeft aangetoond) slechts de vertegenwoordiger en woordvoerder van de bureaucratische laag die zich begon te stabiliseren, te kristalliseren in poriën van de Sovjetmaatschappij, van de staat en van de bolsjewistische partij vanaf het begin van de jaren 20.

De strijd om de bureaucratische kanker te verwijderen, vereiste uitgebreide veranderingen, waaronder het hernemen van de actie onder de massa’s en gelijktijdig een heropleving van de Sovjets (die in 1926-1927 door de verenigde oppositie zal voorgesteld worden), het herstel van het tendensrecht in de partij en het meerpartijenstelsel. De afzetting van Stalin zou dus niet het eindpunt geweest zijn van de anti-bureaucratische strijd,   maar het zou wel een belangrijk scharniermoment in die strijd zijn geweest.

Vanaf oktober 1923 breekt Trotski met de aanpak die hij eerder heeft aangenomen en begint hij met de 46 een eerste publiek offensief in overleg met een aantal sleutelfiguren uit het bolsjewisme tegen de bureaucratie in de partij, hetgeen Lenin eerder niet had kunnen doen. De artikels van  Trotski (zie De Nieuwe Koers) zijn voor 1923 de beste verklaring van de bureaucratisering en van wat ertegen ondernomen moet worden. Het is door zich op De Nieuwe Koers van Trotski te baseren dat de 46 de strijd aangaan en een aanzienlijke invloed winnen in de partij. Na de nederlaag van de oppositie in januari 1924, zal het nog twee kostbare jaren vergen, tot Trotski het initiatief voor de strijd herneemt. Trotski is tussen januari 1924 en einde 1925 politiek verlamd en dat op een cruciaal moment voor de partij, dat waarop de bureaucratische vervormingen fors toenemen. Hij was politiek verlamd in de zin dat hij de leiding niet op zich nam van een strijd die zowel politiek als organisatorisch moest zijn om te proberen Stalin en zijn bondgenoten in een minderheid te zetten.

Politiek verlamd betekent trouwens niet dat hij stopte met denken en debatteren met andere sleutelfiguren van de partij die zijn verzet tegen de bureaucratisering delen: integendeel, hij analyseert het stap voor stap en uit openlijk zijn verzet in het Politiek Bureau (waar hij volledig geïsoleerd is) en in vertrouwelijke brieven aan zijn bondgenoten. Hij denkt anderzijds dat een openlijke strijd in de partij en de internationale onmogelijk is.

Het is vanaf 1926 dat Trotski de strijd tegen de thermidoriaanse bureaucratie op beslissende wijze herneemt. Nog voor die de gedwongen collectivisatie aanvat en een massale repressie die de bolsjewistische partij fysiek vernietigt, creëert hij de Verenigde Oppositie.

Om dit onderzoek af te sluiten, wil ik nog terug komen op een van de tekortkomingen in het begrip dat de bolsjewistische leiders hadden over de problemen in de overgang in de eerste jaren van de revolutie. Ik heb deze tekortkoming al opgebracht in de inleiding.

In de artikels van Trotski, in de tussenkomsten van de 46, net zoals in de laatste teksten van Lenin, wordt de bureaucratie nog niet gezien als een sociale en politiek onafhankelijke actor, tegelijk erfenis van het tsaristische verleden en product van de specifieke voorwaarden van de ontwikkeling van de arbeiderssovjetstaat. Het was natuurlijk erg moeilijk voor de hoofdrolspelers om te voorspellen welke plaats de bureaucratie zou innemen. In 1923-1924 en in de jaren die volgden, was de linkse oppositie (Trotski, Rakovsky, Preobrazjenski, Piatakow …) van oordeel dat de bureaucratie, door de verkeerde politiek die ze opgelegde aan de partij, sociale krachten zou versterken die het herstel van het kapitalisme willen, namelijk NEP-mannen, de koelakken, etc.

Zij begrepen niet dat de bureaucratie zich specifiek tot doel stelde de macht te monopoliseren en haar privileges te kristalliseren zonder dat dit het herstel van het kapitalisme hoefde te betekenen. Dit foute perspectief (gemakkelijk om achteraf te belichten) verklaart voor een deel  waarom Preobrazjenski in 1929 Stalin vervoegt toen die met zijn  breuk met de NEP, de indruk wekte terug te grijpen naar een socialistische arbeiderspolitiek.

Het komt Rakovski toe en nadien Trotski om geleidelijk vanaf 1928, de specifieke rol van de bureaucratie in de Sovjetstaat begrepen te hebben. Het komt Trotski toe en die militanten die deze strijd tot het einde deelden, een onvermoeibare strijd gevoerd te hebben tegen de stalinistische bureaucratie en een volledige analyse van de degeneratie van de Sovjet-arbeidersstaat gemaakt te hebben. Het is fundamenteel om dit te benadrukken bij het opmaken van een balans.

De strijd van Leon Trotski, Rosa Luxemburg en de Vierde Internationale voor de socialistische democratie

De strijd van Trotski en de Linkse Oppositie is een fundamentele bijdrage aan de strijd voor democratie in de overgang naar het socialisme, zowel vanuit het oogpunt van de praktijk als vanuit het perspectief van de analyse van het proces van dictatoriale drift na de machtsovername. Zonder begrip van het proces van degeneratie, kunnen we geen politiek bepalen om het tegen te gaan. Vanuit dit oogpunt is het boek “De Verraden Revolutie”, geschreven door Leon Trotski in het midden van de jaren dertig, een onmisbaar hulpmiddel.

Trotski en de Vierde Internationale streden voor een echte politieke revolutie in de Sovjet-Unie, die de massa’s in staat moest stellen om de macht van de bureaucratie omver te gooien en opnieuw democratische machtsorganen op te richten. Hierna volgen enkele uittreksels van een van de essentiële teksten die de Vierde Internationale aannam op haar oprichtingscongres (1938):

“De Sovjet-Unie kwam uit de Oktoberrevolutie als arbeidersstaat tevoorschijn. Het nationaliseren van de productiemiddelen, noodzakelijke voorwaarde voor de socialistische ontwikkeling, maakt een snel groeien van de productiekrachten mogelijk. Het apparaat van de arbeidersstaat viel sindsdien aan een volkomen ontaarding ten prooi, en werd van werktuig van de arbeidersklasse tot werktuig van bureaucratisch geweld tegen de arbeidersklasse, en mettertijd steeds meer tot werktuig van sabotage van de economie.” (Het Overgangsprogramma, blz. 60).

De tekst bevatte een reeks taken en eisen om het herstel van de socialistische democratie uit te voeren:

“De nieuwe opleving van de revolutie in de USSR zal ongetwijfeld aanvangen onder de banier van de strijd tegen de sociale ongelijkheid en de politieke onderdrukking. Weg met de voorrechten van de bureaucratie! Weg met het Stachanovisme, weg met de Sovjet-aristocratie, haar rangen en orden! Meer gelijkheid in de betaling van alle vormen van arbeid!

De strijd om de vrijheid van de vakbonden en de fabriekscomités, voor vrijheid van vergadering en van drukpers zal in de strijd voor het herstel en het uitbreiden van de sovjetdemocratie veranderen.

(…)

Het gaat erom, de sovjets niet slechts hun vrije democratische vorm terug te geven, maar ook haar klasse-inhoud. (…)

De democratisering van de sovjets is ondenkbaar zonder de legalisering van de sovjetpartijen. De arbeiders en boeren zullen door vrije stemming zelf tonen, welke partijen sovjetpartijen zijn.”

Om de tekst uit 1938 te begrijpen is het nodig te herinneren aan de vernietiging van de verworvenheden van de Oktoberrevolutie die Stalin en zijn kompanen hadden doorgevoerd: gedwongen collectivisatie, verslechtering van de arbeidsomstandigheden in de fabrieken met de Stakhanov-beweging, toename van de ongelijkheid, repressie van het recht op vrije meningsuiting, onderdrukking en disciplinering van de kunstenaars, het creëren van de goelag, veroordeling en executie van de leiders van de bolsjewistische partij in 1917, van de leiders van de opstand in oktober. Tussen 1936 en 1938 hebben vier golven van processen, de ‘Processen van Moskou’ genoemd, elkaar opgevolgd. Drie processen zijn op bevel van Stalin en zijn clan, uitgelopen op de veroordeling van de belangrijkste leiders van de partij. Alle namen die in deze tekst geciteerd werden, zijn betrokken: Zinovjev, Kamenev, Smirnov, Piatakow, Radek, Boecharin, Rakovski, Preobrazjenski, Antonov-Ovseenko, Krestinsky, … De meesten werden geëxecuteerd. En alleen die hadden recht op een proces die, in sommige gevallen onder marteling, hun ‘verraad’ toegaven. Honderdduizenden militanten of personen die beschouwd werden als oppositionelen werden geëxecuteerd met een kogel in het hoofd, zonder enige vorm van proces.

Het proces van mei-juni 1937 was gericht op de militaire verantwoordelijken van de sovjets, waaronder de leiders  van het Rode Leger tijdens de burgeroorlog (Bijvoorbeeld, Michail Toechatsjevski, maarschalk en adjunct-commissaris voor Defensie, Iona Yakir, commandant van de militaire regio Kiev). Als gevolg van dit proces, werd het Rode Leger net voor de Tweede Wereldoorlog onthoofd.

Trotski werd vermoord door een stalinistische agent in augustus 1940 in Mexico.

De strijd voor de democratie in de cultuur en de kunst

Het Manifest voor een Vrije Revolutionaire Kunst (in juli 1938 geschreven door André Breton en Leon Trotski, ondertekend voor publicatie door André Breton en de Mexicaanse schilder Diego Rivera) is eveneens een uiterst actuele referentie:

“De werkelijke kunst, d.w.z. zij die zich niet tevreden stelt met variaties op klaargemaakte modellen, maar die uitdrukking tracht te geven aan de innerlijke behoeften van de mensen en de huidige mensheid, kan niet anders dan revolutionair zijn en moet wel streven naar een volledige en radicale ombouw van de maatschappij al ware het slechts om de intellectuele scheppingskracht te bevrijden van haar ketens en de gehele mensheid in staat te stellen om zich te verheffen tot die hoogten, welke in het verleden slechts door geïsoleerde individuen bereikt konden worden. Tezelfdertijd erkennen wij, dat slechts de sociale revolutie de weg naar een nieuwe cultuur kan banen.

(…)

Wij erkennen natuurlijk het recht van de revolutionaire staat om zich tegen een agressieve reactie der burgerij te verdedigen, zelfs wanneer deze onder de vlag van wetenschap of van kunst vaart. Maar tussen deze gedwongen en tijdelijke maatregelen van revolutionaire zelfverdediging en de aanmatiging om de geestelijke werkzaamheid van een maatschappij te commanderen en te drillen, gaapt een afgrond. Wanneer het, voor de ontwikkeling der materiële productiekrachten, noodzakelijk is, dat de revolutie een centraal socialistisch plan opstelt, dan zal zij toch, voor de geestelijke productie, van de aanvang af een anarchistisch plan van individuele vrijheid moeten dulden. Geen enkele autoriteit, geen enkele dwang en niet het minste spoor van bevelen! De verschillende associaties van geleerden en de collectieve groepen van kunstenaars die dan zullen werken aan taken wier grootheid nooit overtroffen is, zullen slechts vruchtbaar werk kunnen leveren op de grondslag van een vrije scheppende vriendschap zonder de minste dwang van buiten.

Uit wat wij tot nog toe zeiden blijkt duidelijk, dat wij, de vrijheid van kunst en schepping verdedigend geenszins bedoelen daarmede een politieke onverschilligheid te rechtvaardigen, en dat het ver van ons is om een zogenaamde “zuivere kunst” weer te willen opwekken, die in de meeste gevallen slechts de aller onzuiverste doeleinden dient der reactie. ” (Manifest voor een Vrije Revolutionaire kunst).

Het is inderdaad noodzakelijk om de vrijheid van de kunstenaar te bevestigen om iedere poging van de revolutionaire staat of een revolutionaire voorhoede om de culturele creativiteit voor of na de breuk met het kapitalisme te sturen, te vermijden.

De socialistische, pluralistische en levendige democratie

Het manifest dat werd aangenomen door het 13de wereldcongres van de IVde Internationale (februari 1991) bevat een samengevatte voorstelling van de kwestie van democratie in de fase volgend op de revolutie: “De socialistische democratie, pluralistisch en levendig, de vrije confrontatie van keuzes tussen verschillende prioriteiten, de onafhankelijkheid van politieke en sociale organisaties ten aanzien van het staatsapparaat, zijn geen luxe gereserveerd voor de rijkste landen, die de armste landen moeten uitstellen tot betere tijden. Ze zijn, voor elke socialistische revolutie, een functionele vereiste om de tegenstellingen van de economie te beheersen,  wanverhoudingen te verminderen, onrecht onder controle te houden, en het collectieve bewustzijn aan te boren als middel om moeilijkheden te overwinnen. Burgerrechten en sociale rechten van man en vrouw, de rechtsstaat, onbeperkte politieke democratie,  democratie van geassocieerde producenten, democratisch gecentraliseerde planning, noodzakelijk maar beperkt gebruik maken van marktmechanismen en zelfbeheer vullen elkaar noodzakelijkerwijs aan in de opbouw van een socialistische maatschappij. Als een schakel ontbreekt, volstaat dat om het geheel te verdraaien.” (Speciale brochure van de Vierde Internationale, Parijs, 1993).

Deze tekst van de Vierde Internationale van 1991 en de posities van Leon Trotski uit de late jaren 1920 sluiten aan bij die van de Poolse revolutionaire Rosa Luxemburg in 1918. Zij waarschuwde de bolsjewieken tegen bepaalde maatregelen die de vrijheid van mening beperkten. Ze zei: “Het is daarentegen een algemeen bekend, onbetwistbaar feit dat de heerschappij van de brede volksmassa juist volstrekt ondenkbaar is zonder een vrije, onbelemmerde pers, zonder een onbeperkt vereniging- en vergaderingsleven.” (Rosa Luxemburg: De Russische Revolutie, 1918)

“Vrijheid alleen voor de aanhangers van de regering, alleen voor leden van een partij – al zijn zij nog zo talrijk – is geen vrijheid. Vrijheid is altijd vrijheid van andersdenkenden. Niet vanwege het fanatisme van de ‘rechtvaardigheid’, maar omdat al het leven gevende, heilzame en reinigende van de politieke vrijheid er wezenlijk mee verbonden is en de werking ervan verloren gaat als ‘vrijheid’ een privilege wordt.” (id.)

“Als echter het politieke leven in het gehele land wordt onderdrukt, zal ook het leven in de sovjets onvermijdelijk steeds meer verkommeren. Zonder algemene verkiezingen, ongehinderde vrijheid van drukpers en vergadering, zonder een vrije strijd van opinies kwijnt het leven in elke openbare instelling weg, wordt het een schijnleven, waarin alleen de bureaucratie het actieve element vormt.” (id.)

Trotski leidde een niet aflatende strijd tegen de degeneratie van de Sovjet-Unie. Hij zette er al zijn kracht voor in en betaalde met zijn leven in augustus 1940. Trotski heeft een gevecht van onschatbare waarde aangestuurd. Zijn voorstellen en de eisen die hij stelde om de overgang naar het socialisme nieuw leven in te blazen zijn een onvervangbare bron van inspiratie voor al diegenen die niet opgeven en bereid zijn om de strijd voor de eco-socialistische revolutie voort te zetten.

 

Deze tekst, “Lenin en Trotski tegen de bureaucratie”, op het net tot 2016 nooit gepubliceerd, werd slechts eenmaal gepubliceerd [1]. Deze studie werd uitgevoerd voor een vormingscursus in de zomer van 1989 – ze werd daarom in ​eenvoudige bewoordingen geschreven, maar ook precies en goed gedocumenteerd. Bron: http://www.europe-solidaire.org/spip.php?article37007

Het laatste deel van de tekst met de titel “De strijd van Leon Trotski, Rosa Luxemburg en de Vierde Internationale voor socialistische democratie” werd in 2017 toegevoegd.

BIBLIOGRAFRIE GEBRUIKT DOOR DE AUTEUR

BETTELHEIM Charles, Les luttes de classe en URSS, 2 tomes, Seuil-Maspero, 1974.

BROUE Pierre, Le parti bolchévique, Editions de Minuit, 1972.

BROUE Pierre, Trotsky, Fayard, 1988.

CARR Edward Hallet, The Bolshevik revolution, 3 tomes, Penguin Book, 1972.

CARR Edward Hallet, El interregno (1923-1924), Alianza Editorial, n° 75, Madrid.

COHEN Stephen, Boukharine, Maspero, Paris.

Critiques de l’Economie Politique, Le débat sur la loi de la valeur, Maspero,

1972.

DEUTSCHER Isaac, Trotsky, 6 tomes, Ed. 10/18, 1979.

DEUTSCHER Isaac, Staline, Livre de Poche, 1964.

DALLEMAGNE Jean-Luc, Préface à Trotsky : La lutte antibureaucratique, Ed. 10/18, n° 1005,1975.

ELLENSTEIN Jean, Histoire de l’URSS, tomes 1 et 2, Ed. Sociales, 1975.

FRANK Pierre, Histoire de l’Internationale Communiste, 2 tomes Ed. La Brèche,

1979.

KOLLONTAI Alexandra, L’Opposition ouvrière, Ed. Seuil, 1974.

KOURINE Léonide, NAOUMOV Vladimir, Le testament politique de Lénine, La

Pravda, 1988, publié in Spoutnik, déc. 88, Moscou.

LIEBMAN Marcel, Le léninisme sous Lénine, 2 tomes, Ed. Seuil, coll. Esprit, 1973.

LENINE, Œuvres complètes, tomes 24 à 36 et 45, Ed.du Progrès, Moscou.

LEWIN Moshé, Le dernier combat de Lénine, Ed. de Minuit, 1978.

LEWIN Moshé, la formation du système soviétique, Gallimard, 1987.

MANDEL Ernest, Traité d’économie marxiste, tome 4, Ed. 10/18, n° 434-435,

1969.

MANDEL Ernest, « La discussion sur la question syndicale dans le Parti Bolchevique (1920-21) », Revue IVe internationale, mars 1955.

MANDEL Ernest, « BOUKHARINE et le problème de la bureaucratie pendant la période de transition du capitalisme au socialisme », intervention au colloque de Wuppertal, octobre 1988 (inédit).

MANDEL Ernest, Sobre la historia del movimiento obrero, p. 53 à 230, Editorial

Fontamara, Barcelona, 1978.

MEDVEDEV Roy, Staline et le Stalinisme, Albin Michel, 1979.

PREOBRAJENSKY, SAPRANOV, PIATAKOV, Discours décembre 1923 –

janvier 1924, New Park Publications, Londres, 1975.

RAKOVSKY Christian, Les dangers professionnels du pouvoir in De la bureaucratie, Livre Rouges, Maspero, 1971.

ROSMER Alfred, Moscou sous Lénine, 2 tomes, Petite collection Maspero, 1970.

SERGE Victor, Mémoires d’un révolutionnaire, Ed. Seuil, 1978.

SORLIN Pierre et Irène, Lénine-Trotsky-Staline. 1921-27, Armand Colin, 1972.

STALINE Joseph, Œuvres Tome V, 1921-1923, Nouveau Bureau d’Edition, Paris,

1980.

TROTSKY Léon, La lutte antibureaucratique en URSS, tome 1, Ed. 10/18,1975.

TROTSKY Léon, The challenge of the left opposition (1923-25), Pathfinder Press,

New York, 1975.

TROTSKY Léon, Plate-forme sur les syndicats, in Kollontaï, op.cité.

TROTSKY Léon, Cours nouveau, in De la Bureaucratie, Livres Rouges, Maspero, 1971.

TROTSKY Léon, Terrorisme et communisme, Ed. 10/18,1973.

TROTSKY Léon, Staline, 2 tomes, Ed. 10/18,1979.

TROTSKY Léon, Entre l’impérialisme et la révolution, Ed. La Taupe, Bruxelles,

1970.

TROTSKY Léon, Ma vie, Livre de poche, n° 1726,1966.

TROTSKY Léon, La révolution trahie, Publication IVe Internationale, 1961.

TROTSKY Léon, The first five years of the Communist International, Pathfinder Press, 1977.

TROTSKY Léon, Leçons d’octobre, Classique Rouge n° 7, Maspero 1971.

TROTSKY Léon, Nos divergences (30.11.24), Lettre à Boukharine (9.1.1926), in

Cahiers Léon Trotsky

________________________________________

P.-S.

* Eric Toussaint, geschiedkundige en doctor in de politieke wetenschappen, is actief in de IVde internationale sinds het begin van de jaren 1970. Zie https://fr.wikipedia.org/wiki/%C3%89ric_Toussaint

[1] Gepubliceerd in het magazine Lutte de Classe, uitgegeven door de Stichting Léon Lesoil in België. Revue n°2 gedateerd februari  1990.

[2] Voor een voorstelling van het Verdrag van Brest-Litovsk : https://fr.wikipedia.org/wiki/Trait%C3%A9_de_Brest-Litovsk

[3] Volgens Isaac Deutscher (dl 3, p 131) in januari 1923, stelt Trotski zelf een project van reorganisatie van het Centraal Comité en haar organen voor.

[4] Het is vanaf die datum – december 23 – dat men mag aannemen dat Boecharin (verantwoordelijke van de Pravda en weldra titeldragend lid van het Politiek Bureau ter vervanging van Lenin), zijn kritische posities liet varen en zich bij het kamp van Stalin gevoegd heeft, hij zal er blijven tot het einde van de jaren ‘20. Eind 25 zal hij Trotski contacteren om het blok dat hij gevormd heeft met Stalin te vervoegen na het opbreken van de trojka  en de eerste vervoeging van de oppositie door Zinoviev en Kamenev. In zijn brief aan Trotski, zegt hij dat hij niet kan stoppen met beven als hij denkt aan de bureaucratische en willekeurige bureaucratische methoden die heersen in de partij. Trotski zal hem wandelen sturen na hem eraan herinnerd te hebben dat Boecharin medeverantwoordelijk is voor het interne regime dat geconsolideerd werd in haar offensief tegen de oppositie van  1923. Niettemin behield Boecharin zijn bondgenootschap met Stalin (brief van Trotski in Cahier L. Trotsky – juni 88).

 

One comment

Reacties zijn gesloten.