Impact Russische Revolutie op Belgische arbeidersbeweging

De Oktoberrevolutie van 1917 is niet enkel van belang om te bekijken hoe de Russische arbeiders en arme boeren de macht in handen namen en begonnen aan de bouw van een nieuwe samenleving. Het is een gebeurtenis die mee de 20e eeuw bepaald heeft. De impact op de hele arbeidersbeweging en op de klassenstrijd in het algemeen was groot. Ook in België.

Dossier door Geert Cool

De Russische Revolutie versterkte de linkse strekkingen die ook in België binnen de arbeidersbeweging bestonden. Dit zou leiden tot de ontwikkeling van de Communistische Partij van België. Eind jaren 1920 zou die partij splitsen in een trotskistische vleugel (die aanvankelijk een meerderheid dreigde te vormen) en de stalinistische meerderheid die zou uitgroeien tot een massapartij met 80.000 leden in 1945.

Maar de directe impact was breder: het idee dat strijd loont en sociale verworvenheden kan afdwingen, versterkte de arbeidersstrijd vlak na de Eerste Wereldoorlog. Niet toevallig is dat de periode waarin onder meer algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen werd afgedwongen, naast elementen van sociale zekerheid en de 8-urendag. Als de vakbonden in de Belgische arbeidersbeweging een specifiek zwaar gewicht hebben, is dat mee aan deze periode te danken.

Eerste Wereldoorlog en de Belgische arbeidersbeweging

De Bolsjewieken waren een uitzondering binnen de internationale socialistische beweging. Zij stapten niet mee in nationalistische campagnes om de oorlog te steunen en bleven op hun internationalistisch standpunt staan. Trotski merkte op: “De oorlog van 1914 is de grootste ineenstorting, die de geschiedenis kent, van een economisch systeem, dat aan zijn eigen tegenstrijdigheden ten gronde gaat. Alle historische machten, wier taak het was, de burgerlijke maatschappij te leiden, uit haar naam te spreken, en haar uit te buiten, zij allen hebben door de oorlog van 1914, hun eigen rotheid uitgesproken.”

De stroom aan nationalistische gevoelens van vaderlandsverdediging had aanvankelijk een grote impact op brede lagen van de bevolking. Ook de leiding van de Belgische Werkliedenpartij (BWP) en de door haar gecontroleerde vakbonden gingen hier grotendeels in mee. De groei van de organisaties van de arbeidersklasse in de decennia voor de oorlog kon dit niet verhinderen. De Duitse SPD werd pas in 1890 legaal toegelaten, in 1913 telde ze meer dan een miljoen leden met 90 dagbladen, 267 voltijdse journalisten en 3.000 voltijdse partij-organisatoren.

Voor de oorlog had de Tweede Internationale zich fel tegen de oorlog uitgesproken op congressen. In 1910 in Kopenhagen en in 1912 in Bazel bijvoorbeeld. Edward Anseele zei op het congres van 1912 dat “De Internationale sterk genoeg is om tot de regeringen op een gebiedende wijze te spreken” en “zonodig zullen er daden volgen.” Lenin reageerde sceptisch: “Ze maakten grote beloften. Laat ons nu zien hoe ze dit zullen waarmaken.”

“Oorlog betekent revolutie,” schreef Kautsky in 1909. Vlak na het uitbreken van de oorlog verklaarde dezelfde Kautsky: “De Internationale kan geen doeltreffend instrument zijn in tijden van oorlog, het is in wezen een instrument voor tijden van vrede.” Bij de oprichting van de Internationale werd verklaard: “De oorlog is een onvermijdbaar gevolg van de huidige economische verhoudingen en zal pas verdwijnen als het kapitalisme zelf verdwenen is.” De Socialistische Internationale was echter geen instrument van revolutie en bood dus geen antwoord op de oorlog. (Hetzelfde argument zou overigens nadien ook door Stalin gebruikt worden om in 1943 de Derde Internationale op te doeken).

De BWP ging erg ver in het ondersteunen van de oorlog. Emile Vandervelde was bij het begin van de oorlog tot ‘minister van staat’ benoemd en werd in januari 1916 minister met een portefeuille in de regering in ballingschap. Vandervelde was nog altijd voorzitter van de Tweede Internationale, maar steunde volop de oorlogsinspanningen.

Van waar kwam deze grote bocht? De snelle groei van de arbeidersorganisaties eind 19e en begin 20e eeuw leidde tot de illusie dat verdere groei in een rechte lijn zou gebeuren en tot socialisme zou leiden. Er was een grote illusie in parlementair werk om zo hervormingen te realiseren. De leiding van de sociaaldemocratie was steeds meer vervlochten met het kapitalistische systeem. Er was een gebrek aan begrip van de ontwikkelingen van het kapitalisme en vooral van de complicaties die in de situatie vervat zaten. Had het anders kunnen lopen? Ongetwijfeld. Het congres van 1912 in Bazel stelde dat de socialistische kiezers in Duitsland de “beste garantie voor vrede tussen de volkeren” vormden. Dat klopt, maar niet met de leiding die ze hadden.

Zoals Rosa Luxemburg opmerkte: “De slogan ‘proletariërs aller landen verenigt u’ was veranderd in ‘proletariërs aller landen, verenigt u in tijden van vrede en maak elkaar af in tijden van oorlog.’” De oorlog toonde niet het failliet van het socialisme, maar wel van het reformisme.

Groeiend verzet tegen oorlog

De aanvankelijke steun voor de oorlog maakte plaats voor groeiend verzet. Brede lagen van de bevolking beseften dat dit niet hun oorlog was, terwijl ze wel een hoge prijs voor betaalden. De afkeer tegen de oorlog speelde een belangrijke rol in de Russische revoluties van 1917, maar ook in bewegingen elders in Europa die volgden na de Russische Revolutie, in het bijzonder de Duitse. Ook in Brussel, dat nog bezet was door de Duitsers, verscheen op 9 november 1918 een rode vlag boven het stadhuis. Linkse strekkingen van de Belgische arbeidersbeweging ondersteunden het protest van de Duitse soldaten die in Brussel hun officieren afzetten en op straat kwamen. De dreigende Duitse revolutie versnelde de afkondiging van vrede op 11 november 1918.

De oorlog leidde effectief tot revolutie, maar wie kon deze leiden? De BWP-leiding alleszins niet. Zelfs de ‘gematigde’ Camille Huysmans die als secretaris van de Socialistische Internationale vanuit Den Haag probeerde alle partijen van de Internationale bijeen te krijgen, zag niet in dat de arbeidersbeweging een einde kon stellen aan de oorlog. De conferentie van Stockholm van 1917, de eerste poging tot bijeenkomst van sociaaldemocratische partijen met inbegrip van de Duitse partij, had enkel tot doel om druk te zetten op de inhoud van de uiteindelijke vrede. Maar zelfs dat ging voor de meeste BWP-leiders te ver. “Het grootste gevaar vandaag is dat de vrije volkeren toegeven aan de oorlogsmoeheid,” zeiden Vandervelde en De Brouckère aan het Nederlands-Scandinavisch comité dat de conferentie van 1917 organiseerde. In de wandelgangen klonk het directer: Huysmans was een “miserabele mofofiel.” De BWP weigerde, net als vele andere sociaaldemocratische partijen, medewerking aan de conferentie die uiteindelijk niet zou doorgaan. Vandervelde nam wel deel aan de besprekingen voor het vredesverdrag van Versailles waarmee hoge oorlogsbetalingen aan Duitsland werden opgelegd.

De Februarirevolutie in Rusland werd gunstig onthaald door de sociaaldemocratische leiding. Het bood een kans om de geallieerden voor te stellen als democratische mogendheden tegenover het dictatoriale Duitsland. De Man en Vandervelde reisden in mei 1917 naar Petrograd om de arbeiders daar te overtuigen van de oorlog. Toevallig zaten ze van Finland tot Petrograd in dezelfde trein als Trotski die vanuit de VS naar Rusland terugkeerde. Trotski doet het verhaal in ‘Mijn Leven.’ Hij schrijft: ““Herkent u ons?” vroeg de Man. “Ja”, antwoordde ik, “al zijn de mensen in de oorlog ook zeer veranderd.” Met deze niet zeer beleefde toespeling was ons gesprek geëindigd. In zijn jeugd trachtte De Man marxist te zijn en heeft hij Vandervelde goed bestreden. Gedurende de oorlog liquideerde hij politiek de dweperij uit zijn jeugd, na de oorlog deed hij dat theoretisch. Hij werd eenvoudig een agent van zijn regering, meer niet. Wat Vandervelde betreft, die is in de leidende groepen van de Internationale altijd een weinig betekenende figuur geweest. Voorzitter werd hij slechts omdat men noch een Duitser noch een Fransman kon kiezen. (…) In de oorlog verwisselde hij de post van voorzitter van de Internationale met het ambt van koninklijke minister. In mijn Parijse krant heb ik een onverzoenlijke strijd tegen hem gevoerd. Als antwoord daarop nodigde Vandervelde de Russische revolutionairen uit zich met het tsarisme te verzoenen. Nu was hij op weg om de Russische revolutie uit te nodigen in de colonne van de geallieerden de plaats van het Russische tsarisme in te nemen. Wij hadden elkaar niets te zeggen.” Trotski vergist zich als hij zegt dat Vandervelde zijn post als voorzitter van de Internationale had verwisseld met die van minister. Vandervelde oefende beide posten uit. Naar aanleiding van zijn eedaflegging als minister, stelde koning Albert: “Ik verheug me dat u voorzitter van de Internationale bent. Dat kan nuttig zijn op het moment van de vrede.”

De leiding van de BWP stond negatief tegenover de Oktoberrevolutie omdat het de positie van het Duitse imperialisme zou versterken… Toch waren er zelfs in de BWP oppositiestromingen die zich tegen de oorlog verzetten en enthousiast waren door de Oktoberrevolutie. Onder de jongeren van de Socialistische Jonge Wacht/Jeune Garde Socialiste, zeker in Vlaanderen, was er een radicalisering en vanaf 1917 groeiende steun voor de Bolsjewieken in Rusland. In 1916 al werd een groep van de SJW in Gent uit de partij gezet wegens contacten met een Duitse soldaat (die hen de resoluties van onder meer Zimmerwald, de bijeenkomst van socialistische internationalisten tijdens de oorlog, had bezorgd). Binnen de vakbonden – die een groeiend belang kenden en net voor de Eerste Wereldoorlog binnen de BWP voor het eerst groter waren dan de mutualiteiten en coöperatieven – waren er eveneens radicale strekkingen. Daar werd over de Oktoberrevolutie gediscussieerd en niet in louter negatieve termen zoals het geval was in de BWP.

Impact op arbeidersbeweging

Het Belgisch leger stuurde geen troepen naar Rusland om de revolutie te bestrijden, maar nam wel deel met een officier die bij het opperbevel van de Witte Legers was gevoegd. Een legerkorps met gepantserde voertuigen dat in 1916 naar Rusland was gestuurd, werd teruggeroepen. De voertuigen werden gesaboteerd door de soldaten om te vermijden dat ze in handen van de Witte Legers zouden vallen. Een van de soldaten in het korps was Julien Lahaut, die nadien de Oktoberrevolutie in de BWP zou verdedigen. Naar aanleiding van een militante staking van staalarbeiders onder leiding van Lahaut werd hij uit de BWP gezet, enkele jaren later zou tot de KPB toetreden. Een andere soldaat in Rusland was Leon Lesoil die bij de oprichting van de KPB betrokken was en al gauw vrijgestelde van de partij werd. Lesoil zou nadien een leidinggevende rol spelen in de trotskistische beweging.

Toen er in augustus 1920 een wapentransport vanuit Frankrijk naar Polen, bestemd voor de Witte Legers, door de Antwerpse haven trok, gingen de dokwerkers in staking. De regering had geen toelating gegeven voor het transport, maar kneep een oogje dicht. Dat was buiten de dokwerkers gerekend die meteen het werk neerlegden toen ze merkten dat er een wapentransport was. Er was dus verzet tegen de Belgische steun aan de contrarevolutie.

Maar het ging verder dan dat. De burgerij was bang van de revolutionaire golf in Europa die ook België bereikte met een stakingsbeweging en erg snel groeiende vakbonden. Dat verklaart waarom meteen algemeen enkelvoudig stemrecht (voor mannen) werd toegekend (het werd eerst toegekend en dan pas in de grondwet aangepast). Er kwam een 8-urendag, de vakbonden werden erkend en er kwamen paritaire comités met sociaal overleg. Die golf van strijd vond plaats ondanks de regeringsdeelname van de BWP op dat ogenblik. De toegevingen kwamen er niet dankzij de BWP, het waren toegevingen om een revolutionaire beweging te vermijden en de BWP speelde een remmende factor op de stakingsbeweging.

De vakbonden groeiden enorm. De Syndicale Commissie voerde een nationale campagne rond eenvoudige eisen: 8-urendag, minimumloon, erkenning van de vakbonden, 100% opslag tegenover de lonen van voor de oorlog. De levensduurte was fors toegenomen: de gemiddelde stijging van het levensonderhoud tussen april 1914 en april 1919 bedroeg 262%. Een verdubbeling van de lonen was dus allesbehalve een radicale eis. De mijnen en de textielsector kwamen vrij onbeschadigd uit de oorlog, maar in andere sectoren (staal, chemie, metaal, …) was er een hoge werkloosheid. Gesyndiceerd zijn, betekende regelmatiger betaling van werkloosheidsuitkeringen. De soldaten die gevochten hadden, wilden een beter leven dan voor de oorlog maar dat zat er niet in. Ze stonden open voor strijd. Het offensief programma van de Syndicale Commissie maakte dat een groot deel van de revolutionaire energie vlak na de Eerste Wereldoorlog in syndicale strijd werd vertaald.

Het aantal leden van de Syndicale Commissie steeg van 125.000 in 1914 tot 688.000 in 1920. Het belang van de Syndicale Commissie binnen de BWP werd groter. De banden waren erg nauw: vakbondssecretarissen waren ook parlementslid. Pas na de Tweede Wereldoorlog zou er enige afstand tussen vakbond en partij zijn. Na de Eerste Wereldoorlog stond de vakbond meer en meer centraal in de partij, maar werd de ideologie van de vakbondsleiding bepaald door de BWP die op dat ogenblik de trouwste regeringspartner was. De ordewoorden waren kalmte, gematigdheid, realisme en geloof in de regering. Het offensieve programma van de Syndicale Commissie voor de 8-urendag, erkenning van de vakbonden en een beter loon ging gepaard met een oproep tot sociale vrede, verhoging van de productiviteit en heropbouw van het land ‘in het algemeen belang.’

Dit zorgde voor spanningen binnen de BWP. De offensieve eisen van de Syndicale Commissie leidden tot een stakingsgolf in 1918-19, terwijl minister van arbeid Wauters (BWP) tot verzoening opriep. Ook in de publieke sector begint de vakbond zich te organiseren, een staking van Brussels trampersoneel is de eerste staking van het openbaar vervoer in ons land. In verschillende sectoren ontstonden voorlopers van de paritaire comités, een feitelijk erkennen van het sociaal overleg en van de vakbonden. Rond 1 mei 1920 was er veel discussie over de kwestie van een algemene 24-urenstaking in alle sectoren, vooral vanuit Brussel werd daarop aangedrongen. Een groot deel van de vakbondsleiders was echter bang dat dit te ver zou leiden. “Om de bestaande orde omver te werpen, moet je in staat zijn om het te vervangen. Beschikken jullie over de nodige technici? Hebben jullie de arbeiders mee? Ik durf dit niet te bevestigen,” zei Delattre van de mijnwerkersbond uit de Borinage. Samen met het dreigement van een regeringscrisis werd een algemene staking vermeden om plaats te maken voor grote 1-meibetogingen.

Vandervelde was duidelijk: “We moeten hopen dat de werkgevers begrijpen dat ze er belang bij hebben dat de vakbonden machtig worden en de woede kunnen kanaliseren. Zij verhinderen dat de eisen zich gewelddadig uiten en het land desorganiseren.” Vanaf midden 1919 dringen de vakbondsleiders erop aan om de stakingsgolf te stoppen. Zodra ze daar in geslaagd zijn en ook het directe gevaar van een revolutionaire beweging geweken is, kan de burgerij eind 1921 de regering laten vallen en de BWP naar de oppositiebanken verwijzen.

Oprichting Communistische Partij

De georganiseerde linkse kringen waren relatief klein: de jongerengroep in en buiten de Socialistische Jonge Wacht of nog de groep syndicalisten die voornamelijk in het Brusselse actief was rond Joseph Jacquemotte en het weekblad ‘L’exploité’. De bredere sympathie voor de Oktoberrevolutie en de Bolsjewieken werd de kop ingedrukt door de BWP en de Syndicale Commissie. Het gewicht van de vakbonden in de Belgische arbeidersbeweging was groot en de nauwe band met de BWP was een probleem voor de uitbouw van een nieuwe partij. Ook de coöperatieven bonden de arbeiders aan de BWP.

De eerste communistische groep was die rond War Van Overstraeten en bestond vooral uit jongeren. De Comintern vroeg Van Overstraeten om verschillende jongerengroepen die zich op het communisme beriepen bijeen te brengen. Het ging onder meer om de “Fédération Communiste de Wallonie” met een 200-tal leden in Brussel en Wallonië, en de Vlaamse Communistische Federatie met afdelingen in Antwerpen, Gent, Dendermonde, … die weekblad ‘De Internationale’ uitgaf. De tweede groep was die rond Jacquemotte met voornamelijk syndicalisten die lange tijd probeerden de strijd binnen de BWP te voeren. Deze groep rond de “revolutionair-socialistische” krant ‘L’Exploité’ stemde op 29 mei 1921 met 713 stemmen tegen 35 en 30 onthoudingen om een communistische partij op te richten. Op aangeven van de Comintern komt het tot een fusie tussen de twee communistische groepen. Het fusiecongres vond plaats op 3-4 september 1921 in Brussel. In beide groepen was er politieke verwarring met anarchistische invloeden, voorstanders van antiparlementarisme, druk om niet uit de BWP en niet uit de vakbond gesloten te worden, …

De nieuwe Communistische Partij stond relatief zwak met slechts een 500-tal leden en inhoudelijke verdeeldheid. De partij is verenigd rond het enthousiasme voor wat er in Rusland gebeurt. Maar er zijn problemen door repressie vanwege de overheid met een assisenproces tegen de leiding in 1923 en tegenkantingen door de BWP die de communisten uit de vakbonden wil verjagen. Bovendien zijn er interne meningsverschillen over zowel de vakbondswerking als de uitbouw van de partij. Sommigen pleiten voor een brede partij, anderen voor een kaderpartij van gevormde revolutionairen. Een kaderpartij staat uiteraard geen massabenadering in de weg, maar sommigen dachten dat een ‘elite’ het voortouw moest nemen zonder rekening te houden met bredere lagen. Anderen wilden een erg brede partij waarin het revolutionaire karakter niet meer duidelijk was.

De obstakels waren vooral van objectieve aard (vooral het gewicht van de vakbonden die de radicalisering opvingen), maar er waren ook problemen van subjectieve aard. Anderzijds zorgden de interne tegenstellingen wel voor een traditie van debat. Dat maakte de stalinisering van de partij eind jaren 1920 een pak moeilijker: de formele splitsing gebeurde pas in 1928 nadat de stalinisten zich van een meerderheid verzekerd hadden.

Belang van de Russische Revolutie voor de Belgische arbeidersbeweging

Overwinningen van de arbeidersbeweging hebben steeds een internationale impact. Lenin en Trotski gingen daar ook van uit: ze beseften dat een isolement van de revolutie tot het achtergebleven Rusland problematisch zou zijn. Dat is geen reden om een revolutionaire kans te laten passeren. Integendeel: een succesvolle revolutie kan een ‘besmettelijk’ effect hebben op de arbeidersklasse van andere landen, in de eerste plaats de sterkste industriële machten. Dit was ook effectief het geval met de Oktoberrevolutie die een impact had op onder meer de Duitse revolutie, maar ook op de arbeidersbeweging in Frankrijk of België. Ook voor er van sociale media sprake was, sloegen bewegingen en revoluties snel over naar andere landen.

De regeringspartij BWP was in ons land sterk verweven met de verdediging van de ‘nationale belangen’, lees: de belangen van de burgerij. Die had veel te verliezen met de Russische Revolutie. Niet alleen de eigen investeringen in Rusland (onder meer in de spoorwegen), maar ook door de revolutionaire vloed in Europa. De toegevingen aan de werkenden na de Eerste Wereldoorlog werden niet afgedwongen door de BWP, maar door de dreiging van opstandige bewegingen die ook de greep van de BWP op de werkenden zouden bedreigen. De radicalisering leidde tot een sterke groei van de vakbonden die vanaf nu een bijzonder zwaar gewicht zouden hebben binnen de Belgische arbeidersbeweging, wat tot op vandaag het geval is. Een belangrijke beperking om de radicalisering verder te ontwikkelen, was de nauwe band met de BWP voor wie de regeringspositie boven alles ging. Het vormde een obstakel voor de ontwikkeling van een massale nieuwe partij, de communistische partij bleef klein.

Maar dit betekende niet dat Oktober 1917 geen brede impact had op de Belgische arbeidersbeweging. De positie van de vakbonden en de ervaring met strijd rond offensieve eisen speelden een rol in de sociale verworvenheden van vlak na de Eerste Wereldoorlog maar ook in de strijdbewegingen die nadien extra verworvenheden afdwongen en zelfs in de huidige in Europa vrij unieke syndicalisatiegraad waarvan de kracht in het actieplan van 2014 nogmaals gebleken is.